Tanzania

- Wie zijn wij - - Reisverslagen - - Onze auto's - - 'This is Africa' - - Album - - Contact / Links - - Gastenboek - - Voor overlanders/reizigers -

Tanzania (27-3 t/m 12-4)

Vanuit Diani Beach zijn we naar de grensovergang met Tanzania gereden. Aangezien we Tanzania alleen als doorreisland gebruiken, wilden we een transitvisum in plaats van een toeristenvisum. Dit zou twee weken geldig moeten zijn en dus voldoende. We willen nog wel naar Dar es Salaam om te kijken of we daar wat onderdelen voor de auto kunnen bestellen en we weten dat Mischa en Daniële daar naar toe komen. Zij zijn met hun vrachtwagen onderweg van Zuid-Afrika naar Nederland en in Nelspruit (ZA) hadden we ze al ontmoet. We willen zegraag weer zien, de nodige informatie uitwisselen en ervaringen delen.De man bij de grens vond echter dat we met een transitvisum rechtstreeks naar Malawi moesten rijden en niet via Dar es Salaam mochten. Als we dat wilden moesten we maar een toeristenvisum kopen. Zeven dagen vond ie ook ruim voldoende om in Malawi te komen. Maar we moesten naar Dar voor onderdelen (niet eens gelogen) en die hebben ze alleen in Dar (oké, een klein beetje gelogen), maar daar ging ie nog niet in mee. Oké dan, ons vorige visum was nog drie dagen geldig. Als we dat kunnen verlengen, zijn we er ook. Dat kon al helemaal niet. Na elkaar verweten te hebben dat ‘wij niet willen betalen’ en ‘immigrationalleen maar geld wil vangen’ ging de man toch akkoord met een transitvisum en vooruit, nog voor tien dagen ook. Als we dan maar zeiden dat we onderweg problemen hadden gekregen en plotseling naar Dar moesten. Toen we ons paspoort terug kregen, bleken we 14 dagen gekregen te hebben. Na ook de roadtax betaald te hebben reden we Tanzania in. De weg was op de drempels na zo strak als een biljartlaken en er was weinig ander verkeer. Het schoot voor het eerst sinds dagen, nee, weken, nee, maanden, weer eens lekker op. De vriendelijkheid van de Tanzanianen viel ons gelijk weer op: niet alleen zwaaien kinderen weer van verre, ook andere chauffeurs en volwassenen steken hun hand op. Maanden geleden was onze ervaring in het westen al hetzelfde. Vergeleken met Oeganda en Tanzania is Kenia maar een land met norse inwoners.Dit geldt niet alleen voor de houding naar toeristen, ook onderling zie je deze verschillen.

In twee dagen zijn we naar Dar es Salaam gereden, waar we uiteindelijk anderhalve week bij Kipepeo Beach hebben gekampeerd. Mischa en Daniële(www.tenhoope.net) waren hier een dag voor ons gearriveerd en het weerzien was erg gezellig. We hebben gepraat en gepraat en gepraat en, oh ja, tussendoor nog wat gegeten en gedronken. Het beviel met name erg goed om weer eens gesprekken te hebben die verder gingen dan het niveau “goh, wat een leuke auto”. We wilden allemaal wat langer op deze camping staan om wat praktische zaken met betrekking tot de auto’s en visa te regelen en daardoor hoefden we gelukkig niet alle ervaringen en belevenissen in één avond uit te wisselen. Halverwege de week vroegen Mischa en Daniëleof we zin hadden om mee te gaan naar Zanzibar. Dit zat niet in ons oorspronkelijke plan, maar goed, inmiddels hebben we laten zien dat plannen er voornamelijk zijn om vanaf te wijken en dat hebben we nu ook weer gedaan. Aangezien we bijna een jaar getrouwd zijn,vonden we dit een mooi huwelijkscadeautje van de bijdrage die we van iedereen op onze bruiloft hebben gekregen. Waarvoor dank!!! En wie niet jaloers wil worden, kan het fotoalbum beter overslaan deze keer.

Zo gezegd zo gedaan: we gaan met z’n vieren naar Zanzibar. Maar kan dat wel met een transitvisum? Oeps, waarschijnlijk niet. Zanzibar gedraagt zich ondanks de vorming van één Tanzania in 1964 als een eigen staat en heeft dus ook een paspoortcontrole. We gaan gewoon en zullen wel zien waar het schip strand. Eelke kwam zonder problemen door de douane, maar Maaike moest naar een ander mannetje,dat heel braaf uit ging leggen dat je toch echt niet met een transitvisum naar Zanzibar kan. Wat nu? De beste man had een goed idee, namelijk het upgraden van ons transitvisum naar een toeristenvisum voor US$ 20,-. Dan hebben we de normale prijs van een toeristenvisum betaald. Aangezien dit waarschijnlijk de goedkoopste oplossing is en om voor Eelke mogelijke problemen bij het verlaten van Tanzania te voorkomen, hebben we ons visum dus alsnog opgewaardeerd naar een toeristenvisum. Met het verschil dat dit visum wel weer drie maanden geldig is. Achteraf kunnen we hier alleen maar blij mee zijn, maar dat volgt hieronder.

Op Zanzibar hebben we de taxi gepakt naar de oostkant van het eiland, waar we twee nachten bij Pongwe Beach hebben geslapen. We hadden een hele grote kamer, met een heel groot bed en een hele grote badkamer (waar we onze Iveco in hadden kunnen parkeren) en ons eigen zwembad. Wat een luxe! We hebben gegeten op het strand onder de sterrenhemel. De volgende dag is Maaike voor het eerst van haar leven wezen snorkelen; een erg leuke ervaring. Een heleboel verschillende vissen gezien, inclusief een schorpioenvis. Helaas was het koraal niet zo kleurrijk als het op andere plaatsen kan zijn, wellicht een volgende keer beter. Voor Eelke wordt snorkelen zonder bril wat lastig dus hij heeft geprobeerd het avondeten bij elkaar te vangen. Helaas is de vangst bij één schamele vis blijven steken. Deze hebben we dan ook maar weer teruggegeven aan de oceaan. Mischa en Daniële hebben niet zo’n last van slecht-zicht-zonder-hulpmiddelen en hebben met Maaike gesnorkeld. De laatste dag hebben we een paar uur door Stonetown gelopen. Hier hebben we de Anglicaanse kerk bezocht, die op delocatie staat waar vroeger de slavenmarkt werd gehouden. We hebben ook een rondje gelopen door het Arab Fort. Helaas gebeurt er met het fort niks en wordt er ook geen onderhoud uitgevoerd. Op deze manier is het naastgelegen ‘House of Wonders’ inmiddels al gesloten in verband met instortingsgevaar: enkele delen waren ook al daadwerkelijk ingestort. Ditlot dreigt voor het fort waarschijnlijk ook. ’s Middags hebben we de ferry naar het vasteland teruggenomen en ’s avonds hebben we weer in ons eigen slakkenhuis geslapen.

De volgende dag (zaterdag) zijn we naar Michelin gereden om onze rechterachterband te laten plakken. Deze liep namelijk langzaam leeg. Een keer in de twee-drie dagen een beetje lucht erbij was voldoende, maar om dit nu tot Zuid-Afrika vol te houden … Bij Michelin is de band in een Afrikaans tempo geplakt, wat betekent dat we er de hele ochtend mee zoet waren. Mischa was met hun auto ook mee om vier banden te wisselen en dat was nog eerder klaar. Na de bandenplakactie wilden we naar het winkelcentrum om een nieuwe fotocamera te kopen, want de onze is er mee gestopt in de laatste paar dagen in Kenia. Helaas hebben ze niet het toestel dat we willen hebben en ook geen gelijkwaardige. Hopelijk vinden we er later nog wel een. Om toch foto’s op de website te kunnen blijven plaatsen hebben we voor de tussenliggende tijd een compactcamera gekocht. Voor de liefhebbers: een Nikon Coolpix 9200. De Zanzibarfoto’s in het fotoalbum zijn dan ook van Mischa en Daniële. Al met al wilden we een dag of twee-drie in Dar blijven, het werd ruim een week.

Het plan was om zondag verder te rijden in de richting van Malawi, waar we nog drie tot vier dagen voor nodig hebben. Helaas stond de op zaterdaggeplakte achterband plat. Na een klein onderzoekje met water en zeep bleek het om hetzelfde lek te gaan, alleen was de spijker er nu uit en liep de band veel sneller leeg. Wat gaan we doen? Toch rijden en elke twee uur lucht in de band pompen of wachten tot morgen en gaan we terug naar Michelin?Of maken we gebruik van Mischa z’n aanbod de proppenschieter te pakken en het lek zelf te dichten? We hebben toch maar besloten om tot maandag te wachten en dan weer naar Michelin te rijden. Mischa en Daniële zijn wel zoals gepland richting Kenia vertrokken. Onze wegen kruisen elkaar zoals het plan bij afscheid was, pas weer in Nederland. Maar wat was het fijn, leuk en gezellig om een ruime week met elkaar op te trekken. Goede reis en veel succes in het noorden van Afrika!

Helaas voor ons bleek maandag een feestdag te zijn, iets ter ere van de eerste president van Zanzibar. Als ze een reden kunnen bedenken voor een feestdag, dan maken ze er een. Dat is beter dan in Nederland, waar gelijk gezeurd wordt over de productiviteit, over een mogelijk half procent lager BNP en andersoortigeconomisch geneuzel. Het risico dat Michelin dicht zou zitten was te groot om twee uur heen en twee uur terug in de auto te zitten: in Dar is de verhouding voertuigen-asfalt nogal scheef. Dus hebben we nog een dag aan het strand gewacht en op dinsdag is het wel gelukt. De band is opnieuw geplakt en belangrijker nog: gecontroleerd na het plakken. Van de campingbaas hebben we een sluiproute gekregen om de wegwerkzaamheden en de vaststaande uitvalsweg van Dar es Salaam te omzeilen. Met deze route waren we met een uur de stad uit, wat ons anders vermoedelijk twee tot drie uur had gekost. Nu kwam het toeristenvisum wel van pas,omdat we anders de grens met Malawi niet op tijd hadden bereikt. Dat de immigratiemuts Maaike d’r twee dagen verlopen transitvisum uit zou stempelen, wisten we toen nog niet. 

Op weg naar Malawi hebben we een nacht in Mikumi geslapen en om hier te komen rijd je door het nationale park Mikumiheen. We vonden onszelf heel gelukkig hier, want we hebben van alles en nog wat aan dieren gezien: bavianen, impala’s, giraffen, zebra’s en heel veel olifanten (circa 60) waarvan het merendeel vlak langs de weg liep. Toch maar even gestopt en wat foto’s gemaakt. Dit was ook de dag waarop we ons éénjarig huwelijk hebben gevierd met een fles bubbels, wat berichtjes van het thuisfront en een cadeautje dat we van Mischa en Daniële hebben gekregen.

Vanuit Mikumi zijn we naar Kisolanza Farm gereden, 50 kilometer ten zuiden van Iringa. Het landschap was met mooie groene, glooiende heuvels met langs de weg parasolbomen (geen idee wat de Nederlandse naam is) en baobabs, erg mooi en vooral een verademing na drie weken strand, zand en oceaan. We hadden de ‘grote weg’ waar ook al het vrachtverkeer naar Malawi overheen gaat. De weg gaat dwars door allerlei dorpjes waar je maar 50 mag. Dit wordt veelvuldig met drempels en lasercontroles afgedwongen: in drie dagen tijd zagen we elf controles. In tegenstelling tot Nederland waarschuwen de weggebruikers elkaar hier veelvuldig met lichtsignalen en handgebaren, maar helaas hadden ze ons bij een van deze controles toch gemeten op 55 in plaats van 50. Hebben we toch nog een boete gehad! Gezien de bebouwing langs de weg en de snelheid van de bussen en vrachtwagens, is de handhaving eigenlijk wel logisch. Langs deze weg lag ook weer een aantal vrachtwagens in de berm. Overigens is de boete voor elke (!) verkeersovertreding met een voertuig hetzelfde: 30.000 Tanzaniaanse Shilling, ongeveer € 15,-.

Op de laatste etappe van Mbeyanaar de grens met Malawi stuitten we nog op een typisch Afrikaanse verrassing: zo’n vijftig kilometer voor de grens strandden we bij een trekker met oplegger die schuin over de weg stond/hing. De chauffeur had geprobeerd vanaf een modderige laaggelegen zijweg de asfaltweg op te rijden en was in de binnenbocht weggezakt. De lading, een knikdumper die de dag ervoor van de weg was geraakt en net was geborgen, dreigde er vanaf te vallen. Passeren kon alleen te voet en we konden wel wachten, maar omdat niemand weet hoe lang zoiets duurt en met de grensovergang in gedachte, zijn we maar omgedraaid en hebben nog een nacht in Mbeya geslapen. Best handig, zo’n toeristenvisum.

We hebben wel bedacht dat we nog een keer terug moeten naar Tanzania om de parken te bezoeken. Dan huren we wel lokaal een auto, want met die van ons zijn we zo’n US$ 350,- per 24 uur kwijt. Oh ja, en daar komt de camping dan nog bij. Daarbij is Tanzania een leuke land met vriendelijke inwoners en dat is zeker de moeite van een volgend bezoek waard.


Tanzania (30-12 t/m 6-1)

Vanuit Mpulungu (Zambia) reden we in krap twee uur naar de grens met Tanzania. Het stuk vanaf Mbale was in tegenstelling tot wat op de kaart stond, dirt road en ging dus niet zo snel. Bij de grens, niet meer dan een hek dat op slot zat, stond een groot bord waarop customs van Zambia ons welkom heette. Het grenskantoortje was echter op slot en we begrepen van een wachtende Zambiaan dat dat gebruikelijk is bij deze grenspost: degene van immigration is meestal in het dorp met andere zaken bezig en de man van customs was naar Mbale. Dat was slecht nieuws, want customs moet ons carnet afstempelen. Na een minuut of tien kwam immigration in een smetteloos wit overhemd aanwandelen. Het kantoortje ging open en binnen stonden twee bureaus: customs en immigration. Onze paspoorten kon hij afstempelen, maar het carnet moest customs doen en die was er nou net niet. Op ons voorstel een bureau op te schuiven en dat hij ook wel een stempel kon zetten keek ie echter zeer verbaasd: wisten we dan niet dat we daarvoor naar Mpulungu moesten? Niet dus en we waren ook niet van plan het hele stuk weer op en neer te rijden. We hadden het ook niet kunnen weten, want officieel hoorde er iemand van customs te zijn.

Inmiddels waren twee collega-immigrationmannetjes binnen komen lopen. Na wat gemopper en theater van ons besloot er een customs in Mpulungu te bellen. Met de smoes dat we niet voldoende brandstof hadden, had hij ze overgehaald dat we het papier voor customs wel bij hem achter mochten laten. Voor 50 Kwatcha uiteraard (zo’n 10 Euro), maar dat was beter dan op en neer rijden. Dat papier kunnen we overal wel achterlaten, maar wij wilden een stempel. Toen bleek dat er bij die grenspost helemaal geen stempel was, werd ons duidelijk dat we er niet onderuit kwamen en terug moesten. Dan wilden we zeker onze 50 Kwatcha terug? Inderdaad en die kregen we terug.

In Mpulungu was de man die het stempel moest zetten natuurlijk net even weg, zei z’n baas. Nou was het lunchtijd, dus besloten we zelf ook wat te eten. Ondertussen kwam het Nederlandse stel dat we in Kasanka hadden ontmoet ook voorbij en er was zo een uur om. De beste man was nog niet terug, maar z’n baas wilde zelf wel stempelen. Had dat dan een uur geleden gedaan! Maar dat zeg je niet. Goed, vijf uur later en een stempel rijker stonden we weer aan de grens. We kregen een stempel van immigration en konden zo door, maar het witte overhemd vroeg toch nog waar z’n 50 Kwatcha was, want hij had ons zo goed geholpen. Jammer joh, die hebben we net in Mpulungu uitgegeven. Aan de Tanzaniaanse kant werden we geholpen door  twee heren in voetbalshirt, maar het ging een stuk makkelijker. Een half uurtje nadat het donker geworden was reden we uiteindelijk Sumbawanga binnen en overnachtten we op de parkeerplaats van een hotel/conferentiecentrum.

De dag erna (oudjaarsdag) wilden we van Sumbawanga naar Katavi NP om te slapen bij het Katavi Hippo Garden Hotel. Dit was ongeveer 200 km rijden over een slechte weg, maar zou op een dag te doen moeten zijn. Na een uur rijden (wat zowaar asfalt was) hield het asfalt op en begon het ook te stortregenen. Het was zo’n bui waarbij de snelste stand van de ruitenwissers nog veel te langzaam is. Na nog een uur rijden kwamen we bij een dorpje waar de vrachtauto’s en bussen bovenaan de helling stonden te wachten tot de regen minder zou worden. Dat hebben we dus ook maar gedaan. Het water kolkte niet alleen door de bermen, maar stroomde inmiddels over de hele weg. Na een uur werd het droog en namen de stromen water langs en over de weg af. Behalve op het laagste deel, daar moesten we nog circa 100 meter door 40 cm water: daar was de rivier de weg over gelopen. Nadat we een bus uit tegenovergestelde richting hadden zien aankomen wisten we dat het ging lukken. Een aantal kilometers verderop was dit ook weer het geval. Er kwamen twee voetgangers aan, daaraan konden we zien hoe diep het water was en tegen de tijd dat we er zelf doorheen wilden kwam er een vrachtwagen aan die voorging. Handig, dan weet je precies waar de gaten en kuilen in de weg zitten. Door het bruine water kan je de bodem niet zien en is water doorkruisen altijd riskant. De laatste 50 km voor deze dag was een wasbord. Helemaal door elkaar geschud en getrild kwamen we in de schemering aan bij het Hippo Hotel. Uiteindelijk hebben we over de laatste 150 km 7 uur gedaan. Toen wisten we nog niet dat het nog langzamer kon. Bij aankomst bleek ook nog het pompje van de pot garagezeep omhoog gekomen te zijn. Nu paste ie niet meer onder de tafel die er boven lag en door het hobbelen over het wasbord had de tafel al stuiterend ongeveer twee liter garagezeep de auto in gepompt. We hadden ineens een heel schoon stukje auto.

Oudejaarsavond hebben we met zijn tweeën zittend/hangend op bed doorgebracht met een bak pinda’s. We waren blij dat de klok net de dag ervoor weer een uur vooruit was gegaan, hoefden we voor het gevoel minder lang wakker te blijven. Wat wel heel erg mooi was waren de grote hoeveelheden vuurvliegjes die over de camping vlogen. Hadden we toch nog vuurwerk! In de buurt werd er weinig aan oud en nieuw gedaan en bij het hotel zelf helemaal niets.

Onderweg naar het Hippo Hotel hebben we ook weer gezien dat haastige spoed zelden goed is. We worden regelmatig ingehaald en vragen ons dan af waarom die mensen zo hard over deze wegen kunnen/durven te rijden. Zo ook deze middag, toen we aan de kant werden getoeterd door een vrachtwagen. En na een aantal kilometers waar de weg erg modderig was, zagen we deze vrachtwagen in een flauwe bocht op zijn kant in de wegberm liggen. We hebben even gekeken of er gewonden waren en dat was niet het geval: ze bleken allebei zo zat als een aap te zijn. Daarom kun je dus wel hard rijden, maar vier je oudejaarsavond langs de kant van de weg.

De weg van Katavi naar Nyakanazi (waar het asfalt weer zou beginnen) was erg slecht. Deze 570 km heeft ons nog vier dagen gekost. En dan te bedenken dat dit in dit gebied de enige verbindingsweg is. Tot aan Mpanda reden we langs een nieuwe weg in aanleg, maar daarna werd het slecht. De weg was een enkel pad met schuine bermen, waar je alleen met lage snelheid een tegenligger kan passeren. Het gebied was wel mooi, dus dat maakte veel goed. Het ging goed tot we in de loop van de middag bij een helling een vrachtwagen schuin in de berm zagen liggen. Vlak ervoor stond een trekker met trailer midden op het pad, met z’n cabine naar voren gekanteld. We hebben de auto geparkeerd en zijn er naartoe gelopen. We konden er niet langs en het zag er naar uit dat er wel een paar mensen hulp konden gebruiken. Naast de cabine stond een paar Tanzanianen en toen we dichterbij kwamen, bleken er ook nog een stuk of zes onder de auto vandaan te komen. Hulp genoeg dus. Ze hadden geprobeerd de gekantelde auto weer de weg op te slepen, maar daarbij was hun eigen auto kapot gegaan. Overigens duurde het even voordat we wisten wie bij welke auto hoorde en hoe de pikorde was, maar de man in het blauwe shirt was duidelijk de baas. Kapitein Blauwshirt bleek de chauffeur van de kapotte vrachtauto te zijn en zowel zijn hulpjes als die van de gekantelde auto waren aan het sleutelen. Elke vrachtwagen blijkt op dit traject namelijk een of twee bijrijders te hebben voor als ze vast komen te zitten. De mensen naast de auto waren passagiers: vrachtwagens hebben namelijk ook de functie van bus. In gebrekkig Engels werd de Mzungu’s, het donker-Afrikaanse woord voor ‘blanke’ en het enige woord dat we wel konden verstaan, duidelijk gemaakt dat we er wel langs mochten. Gezien de staat van de berm en de vrachtwagen die er al in lag, bedankten we voor de eer. Onze auto stond redelijk aan de kant en we hadden al bedacht dat we zelfs zo konden slapen als dat nodig was. Een half uurtje later deed de vrachtwagen het weer en toen Kapitein Blauwshirt z’n auto goed voor de gekantelde auto had gemanoeuvreerd, gebaarde hij dat we er langs konden. Er was nu genoeg ruimte, dus we konden verder. De weg was nu echt slecht geworden en was meer modder dan weg. De bermen waren nog net zo schuin en we wisten nu weer waarom we met een 4x4 op pad waren. We lieten nog een fles water achter bij een buschauffeur met pech en bereikten al glibberend een wegwerkerskamp bovenop een heuvel. Onderaan zagen we een tankwagen meer naast dan op de weg staan. We lieten onze auto boven staan en liepen naar beneden om te kijken of we iets konden doen. Of we er langs konden of niet maakte niet uit, het was inmiddels zes uur en we wilden toch vragen of we hier konden blijven slapen. Hulp was niet nodig: een man of zes was bezig met bomen omhakken en onder de omhoog gekrikte achterwielen leggen. Daarna zou ie er zelf uit moeten kunnen rijden.

Twee van de jongens in het kamp spraken redelijk Engels en blijven slapen was geen enkel probleem. Bij het kamp werden de enige twee plastic tuinstoelen drooggemaakt en we konden aanschuiven bij het kampvuur. Een half uurtje later was de auto van beneden los en kwam naar boven gereden. Van de andere kant kwam even later ook een vrachtwagen door de modder geploegd: Kapitein Blauwshirt. Uit z’n cabine kwam een man of zes, die we allemaal even daarvoor nog hadden gezien. Het kamp bleek tevens als overnachtingsplek voor vrachtwagenchauffeurs dienst te doen en iedereen nam plaats op de houten banken rondom het vuur. Het was met een man of twintig inmiddels aardig druk geworden. Het was een mooie gelegenheid om met ons Lonely Planet Swahili Phrasebook (de Hoe-en-Wat in het Swahili) te kijken of we ons verstaanbaar konden maken. Tenminste, dat dachten we, want de heren (Maaike bleek de enige vrouw in het gezelschap) wilden met het boekje juist hun kennis van het Engels aanscherpen. We kregen het weer terug toen het echt te donker was om te lezen. Inmiddels had een van de wegwerkers een grote ketel op het vuur gezet om maïspap te maken. Iedereen die er was kon mee-eten en met een kom bonen en een schep zout was het best lekker.

Een van de hulpjes van Kapitein Blauwshirt had eerder die dag nog met z’n handen op z’n buik gebedeld om eten, nu moest ie water halen zodat we onze handen konden wassen. Het was wel een lastige middag om in te schatten waar je als blanke staat en of en wat ze van je verwachten. In de dagen daarvoor hadden we ook nog niet één andere blanke gezien. Als je dan ook nog niemand verstaat, voel je je wel eens wat ongemakkelijk. Uiteindelijk viel het best mee en hebben we nog een hoop gelachen. En zij nog meer om ons.

Er stonden nu drie wagens midden op het pad, wij waren de enige die een plekje naast de weg hadden gevonden, toen er een vierde aankwam. Die wilde er voorbij, maar niemand maakte aanstalten om iets te gaan doen. Gezien de onderlinge hulpvaardigheid die we eerder die dag hadden gezien, verbaasde dat ons. Toen we er naar vroegen, bleek deze auto de dag ervoor zonder te stoppen langs de vastzittende tankauto gereden te zijn. Nu mocht ie dus zelf uitzoeken hoe ie langs de drie wagens kwam: je krijgt wat je verdient. Het kostte zeker een uur graven, prutsen en proberen, toen was ie er langs.

De volgende morgen bleken we ingebouwd door een andere wagen die die nacht nog was aangekomen. We hadden graag als eerste voor Kapitein Blauwshirt weg willen rijden, maar dat zat er niet in. Toen er drie andere vrachtwagens door de modder aan kwamen kruipen, kwam er beweging in en werd er ruimte gemaakt om te passeren. We bedankten de wegwerkers met een paar mango’s en sloten na Kapitein Blauwshirt en de andere drie als vijfde aan in de rij.

Lang duurde het echter niet, want in een bocht was Kapitein Blauwshirt naast het pad gegleden. Ook nu mochten de Mzungu’s er van de diverse chauffeurs voorbij, maar gezien de breedte van de berm en de dikte van de modder was dit geen reële optie. Het kostte twee uur voordat hij er uit was. Inmiddels met acht auto’s, konden we een kwartier rijden, toen hij vast zat in een modderpoel waar ze in Furstenau jaloers op zouden zijn. Gelukkig duurde dit minder lang en een voor een werden de vrachtauto’s er doorheen geholpen. Ons slakkenhuis kon zich lekker uitleven in de blubber, maar de sperren hadden we niet nodig: we waren er in één keer door. Uiteraard konden we niet al te lang doorrijden, want op een helling kreeg de tweede auto pech en die stond uiteraard precies midden op de weg stil. Gelukkig kwam er binnen een kwartier een slimmerik op het idee om hem met een vrachtauto van bovenaf weg te slepen. Al met al hebben we die ochtend in vier uur elf kilometer afgelegd.

’s Middags kwamen we Kapitein Blauwshirt nog een keer tegen: op een lange helling naar beneden waren de remmen van de trekker en de trailer oververhit geraakt. Meer hulp dan een fles water had hij niet nodig en in dit geval konden we er wel langs. Aan het eind van de dag kwamen we in Kasulu, waar we op de parkeerplaats van een lodge konden slapen.

Vanaf Kasulu was het gedaan met de modder en kregen we er een stevige kleiweg voor terug. In de weg zaten echter richels die wij greppels zouden noemen en meer potholes dan er gaten zitten in de pan van Visscher’s Poffertjes. Ze hadden ook de grootte van een voetbal. We begonnen zelfs terug te verlangen naar de modder van de voorgaande dagen, maar met de ID&T top 500 uit de speakers was het toch vol te houden.  

De volgende stad die we wilden bereiken was Kibondo, maar daar konden we niet echt een geschikte plek vinden om te slapen. De hotels hadden geen eigen terrein waar onze auto op kon staan en campings kennen ze in dit deel van Tanzania bijna niet. We reden langs een paar blokken met allemaal kamers en het laatste woord op het bord langs de weg was ‘hostel’. Dat komt goed uit, laten we hier dan maar vragen of we er kunnen slapen. In plaats van een hostel was het een campus voor verpleegkundestudenten. Maar we mochten onze auto wel op de parkeerplaats zetten. Toen we vroegen of we ook een douche en wc konden gebruiken, werd er even moeilijk gekeken, maar een van de studenten zei al snel dat dat geen probleem was. We mochten met hem mee naar zijn kamer, die hij deelde met nog twee andere jongens en daar mochten we douchen. We moesten even wachten, want hij moest eerst even water voor ons halen. Het was een koude douche, maar zo goed verzorgd dat je daar wel warm van werd. De jongen gaf aan dat de districtchef die op de campus woonde had gehoord dat wij er waren en dat we ons even moesten melden. Wij dachten dat deze man de baas was van de campus, maar we hadden hem te laag ingeschat: hij is de chef van het Kigoma-district in dienst van de overheid. Hij wilde van alles van ons weten: wat we in Afrika doen, met welk doel we reizen, waarom we niet in een hotel gingen slapen (of we dan een kamer in zijn huis wilden gebruiken?), waarom we niet de Nationale Parken van het Kigoma-district hadden bezocht (Gombe en Mahali Mountains), wat voor werk we deden, enz enz. Toen hij hoorde dat Eelke les gaf op de HTS werd de toon van het gesprek een stuk vriendelijker. En toen de beste man uiteindelijk onze auto gezien had snapte hij waarom we niet bij hem hoefden te logeren en geen hotel wilden. Hij beloofde de volgende dag afscheid te komen nemen en wenste ons een goede nacht.  De volgende ochtend hebben we afscheid genomen van de jongen die onze douche verzorgd had en de districtchef was al op weg naar onze auto. Toen we hem er van verzekerd hadden dat we een goede nacht hadden gehad en hij zich voor niks zorgen had gemaakt kregen we toestemming om te vertrekken. Toestemming klinkt misschien zwaar, maar in dit geval was dat wel de letterlijke tekst: ‘you are allowed to leave’.

Op weg naar de laatste 100 km dirt road en vanaf daar begon onze aardse hemel: het asfalt!! Na 770 kilometer in vijf dagen waren we daar wel aan toe. Uiteraard was ook deze weg niet zonder potholes, maar dat vonden we nu niet erg meer: de stukken er tussen waren in ieder geval glad. Dit stuk asfalt bracht ons naar Rwanda. Of we zomaar het land binnen mochten, terwijl we verzuimd hadden ons van te voren via internet voor een visum aan te melden, lees je de volgende keer in het verslag van Rwanda.

Filmpje: http://www.youtube.com/watch?v=a_UGZjr6leg

 




Ja, ook wij zitten aan de cookies. Ze helpen ons ergens mee ... Hier klikken, dan ben je van de melding af.