Namibië

- Wie zijn wij - - Reisverslagen - - Onze auto's - - 'This is Africa' - - Album - - Contact / Links - - Gastenboek - - Voor overlanders/reizigers -

Namibië (4-9 t/m 25-9) deel III

In verband met pijpleiding aanleggende Chinezen komen we een dag eerder dan gepland aan in Swakopmund: ze hadden de campsites waar we wilden staan gebruikt als bouwplaats. Terug rijden naar de plaats waar we vandaan kwamen was negentig kilometer wasbordhobbelen en de dag er na dus nog een keer. Voor Swakop hadden we een paar opties voor campings, de eerste bleek alleen nog maar lodges te hebben en de tweede was direct op het strand zonder enige beschutting en de derde vonden we eigenlijk te duur. We hadden geen zin om verder te rijden en het eigen sanitair dat we hier hadden was eigenlijk ook wel fijn. Daarnaast kwam de wifi zelfs tot op de camping. De grijze stenen van de sanitairgebouwtjes en de grijze bestrating maakten het een redelijke Centerparcs-look-a-like, maar goed. Het grootste nadeel van deze camping bleek echter een algemeen Swakop’s probleem te zijn: door de ligging aan zee was het er koud, zo’n vijftien graden maximaal en mistig met een luchtvochtigheid van zo’n zeventig procent. Tegen de tijd dat we er een beetje aan gewend waren, was het een week later en gingen we verder. We wilden hier wassen, maar de eerste deed er anderhalve dag over om droog te worden, dus dat hebben we verder laten zitten. We hebben nog wel een halve dag sleutelend aan de auto doorgebracht: onderweg over de wasborden vielen er steeds meer functies uit: de snelheidsmeter, de kilometerteller, de aanjager en de controlelampjes van de dimlichten en het grootlichtsein. De batterij van de multimeter was helaas leeg, dus spanning zoeken bleef beperkt tot wat gepruts met een draadje en een lampje. Op de zekeringen stond spanning en de bedrading leek helemaal in orde te zijn. We zijn bang dat het een massa-probleempje is, waar Maaike voor vertrek ook als eens een weekje of wat aan heeft besteed. Gelukkig zijn het geen cruciale onderdelen en de auto rijdt gewoon door, maar handig is het niet. In Windhoek kijken we nog maar eens of we wat kunnen vinden.  

Na een dag of drie waren Ben, Marleen en Lisette in de buurt en ’s avonds spraken we af in hun pension. Het weerzien was alsof we elkaar maar een week niet hadden gezien, alleen hadden we nu iets meer te vertellen. De dag erna zijn we zeeleeuwen gaan kijken in Cape Cross, zo’n honderd kilometer naar het noorden. Afhankelijk van de hoeveelheid voedsel en het jaargetijde leven hier tussen de 100.000 en 300.000 zeeleeuwen op een zeer kleine oppervlakte. Inderdaad, overal waar je kijkt zie, hoor en ruik je alleen maar zeeleeuwen. Er lagen maar enkele dode dieren tussen, omdat ze hyena’s en jackals toelaten om ze er uit te halen. ’s Avonds hebben we in het Brauhaus typisch Duits gegeten, onder het genot van een Paulaner. Het heeft z’n voordelen dat Namibië een voormalige Duitse kolonie is. Onze tweede gezamenlijke dag hebben we in Walvis Bay doorgebracht. ’s Ochtends hebben we een boottochtje gemaakt door de baai, op zoek naar zeeleeuwen, pelikanen, meeuwen, dolfijnen en ander zeeleven. Helaas lieten de dolfijnen het afweten, maar de rest hebben we gezien. Na de lunch met champagne en oesters, die alleen door een Roemeen en Eelke werden gegeten, hebben Ben en Eelke de dag voortgezet in een landrover met chauffeur op weg naar de duinen. Langs de zee liggen tientallen meters hoge duinen en om daar met een auto doorheen te rijden is een geweldige en unieke ervaring. Het eerste stuk mag je nog met je eigen auto in, maar zeker met het relatief lage vermogen van onze auto wordt dat helemaal niets. Daarnaast is een helling van 30 graden (niet 30%!) omhoog en naar beneden best steil. Het is het natuurlijk talud van duinzand en het is wel prettig om te weten dat het nooit steiler wordt; die 30 graden is echter steil genoeg. Als je te hard rijdt, kieper je over zo’n duin heen en als je te langzaam rijdt kom je niet boven. Overigens is het niet zo als in de Dakar dat je dan moet gaan graven: gewoon in z’n achteruit zetten en terugrijden. In de Dakar blijven ze maar gas geven en met de hoge vermogens die ze daar hebben, graven ze zich alleen maar dieper in.

Na Swakop zien we Ben en Marleen een paar dagen niet, ze slapen op andere locaties. Wel in de buurt, dus hebben we weer afgesproken in het Nationaal Park Etosha. Dat is namelijk onze volgende bestemming. Zoals we al gehoord hadden, klaarde het weer zo’n tien kilometer buiten Swakop op en kroop de temperatuur naar de veertig in de schaduw en de luchtvochtigheid weer naar 0%. Hier was de was weer binnen een uurtje droog; in Swakop duurde dat anderhalve dag. 

Maaike is helemaal blij dat we na een paar weken weer dieren gaan kijken. Eigenlijk klopt het niet: Maaike de bioloog mag wel de hele dag dieren kijken, maar als Eelke als civieler een keer zijn hoofd omdraait voor een graafmachine, is het ineens beroepsdeformatie … De eerste dag Etosha was een opwarmertje: we sliepen buiten de gate en hadden nog een paar uur over. Op wat ‘normaal wild’ na hebben we niet zoveel gezien. De tweede dag stonden we met opening van de poort in het park. De eerste waterpoel was uitgestorven, dus reden we verder. Nog geen half uur later zagen we een aantal auto’s bij een afgraving staan en we ontdekten er drie leeuwen op een bult zand/stenen. Even verder kijken leverde nog zeven leeuwen op. Er lagen er tien, verspreid door de afgraving! Gelukkig hadden we nog anderhalf streepje telefoonbereik, zodat we Ben en Marleen konden sms’en. Zij sliepen ook buiten het park en zouden niet veel later dan wij naar binnen gaan. We waren op tijd en nog geen drie kwartier later kwamen ze aanrijden. Al snel zagen we dat het allemaal relatief jonge dieren waren, zo’n één tot twee jaar oud. Dat betekende dat er ergens nog wat moeders en een vader rond moesten lopen, waarschijnlijk op zoek naar ontbijt. Eén voor één stonden de jonkies echter op en zochten langzaam de beschutting van de bomen op. Even na negenen waren ze allemaal uit het zicht verdwenen en gingen we op zoek naar ander wild. Deze dag kon nu al niet meer stuk.

In de loop van de ochtend kwamen we in Okaukuejo, het kamp waar we die nacht sliepen. Het is een klein dorp, met onder andere een eigen waterpoel die ’s avonds en ’s nachts verlicht is. Als je wilt kan je hier de hele nacht zitten kijken naar alle dieren die hier komen drinken. Nu liepen er enkele honderden springbokken, zebra’s, kudu’s, oryx’en en ander spul. Het was leuk om te zien, maar we wilden eigenlijk lunchen bij een andere waterpoel. Toen we wegreden vertelde een medewerker van het park ons echter dat er veertig tot vijftig olifanten onderweg waren naar de poel en we dus beter konden blijven. We draaiden om en waren op tijd om te zien hoe ze net om de hoek kwamen: we hebben maar in Okaukuejo geluncht. 

In de middag wilden we dan toch nog wat meer van het park zien en reden we naar Okondeka, een waterpoel met uitzicht over de Etoshapan. Verspreid langs de rand van de pan lagen grote kuddes wildebeesten, liepen zebra’s, springbokken en struisvogels en te midden van dit alles vonden we vier leeuwen. Het idee dat als je geen kattenvoer ziet, er dus leeuwen in de buurt zijn, is hiermee wederom niet waar gebleken. De dieren lagen wel allemaal op redelijk afstand van de parkeerplaats en met het harde middaglicht zijn de foto’s hiervan niet heel geweldig, maar met deze leeuwen is de stand leeuwen-luipaarden 10-9 geworden. Rond zonsondergang waren we weer terug in Okaukuejo. Hier hadden we onszelf een nachtje in een lodge vlakbij de waterpoel cadeau gedaan. We hebben die avond nog menig uur gespendeerd bij de waterpoel en ze bleken de moeite waard te zijn. Neushoorns kwamen zo’n beetje af en aan lopen, net als de jakhalzen. Af en aan betekent in dit geval dat we er in ongeveer drie uur tijd een stuk of zes-zeven hebben gezien. Toen we terug kwamen van het restaurant zagen we Peter, Leonie en Dick op een van de bankjes bij de waterpoel zitten. We hadden ze een paar dagen eerder al ontmoet in Swakop: Leonie en Peter zijn december 2013 op de motor vanuit Nederland richting Zuid-Afrika vertrokken (amsterdamtoanywhere.nl) en Leonie d’r vader Dick reist nu een paar weken met ze mee. Peter dacht aan de waterkant een aardwolf gezien te hebben. Deze dieren worden maar zelden gezien, omdat ze alleen ’s nachts tevoorschijn komen. Het was een dier op onze zolangwedezenognietgezienhebbengaanwenietnaarhuis-lijst, dus we hoopten dat ie terug zou komen. En dat deed ie. Bij nader inzien bleek het een bruine hyena te zijn in plaats van een aardwolf, maar omdat die net onder de aardwolf op dezelfde lijst staat, was onze vreugde er zeker niet minder om. Bruine hyena’s worden iets vaker gezien dan aardwolven, maar het blijft heel lastig. Wij blij dus! Vlak voordat we gingen slapen hebben we nog een rondje gelopen en vonden zes neushoorns en een olifant bij de waterpoel. De dag die na een uurtje park al niet meer stuk kon werd een supergeslaagde dag.

De volgende ochtend was het resultaat een beetje schaars: één neushoorn bij de waterpoel. Maar tegen een uur of negen kwamen er zebra’s aangehobbeld: 78 in totaal, gevolgd door 52 wildebeesten. Per diersoort gingen ze drinken en daar hebben we dan weer wel mooie foto’s van. Met Ben, Marleen en Lisette zijn we op pad gegaan richting Halali. Helaas hebben we alweer afscheid genomen van Peter, Leonie en Dick, want we komen ze zeer waarschijnlijk niet meer tegen. Eén principeafspraak om thuis een bakkie te gaan doen, hebben we wel. Onderweg naar Halali kwamen we langs Gemsbokvlakte. Waar we ‘s ochtends dachten veel zebra’s te hebben gezien, waren er hier pas veel: honderden zebra’s aangevuld met tientallen wildebeesten en springbokken, stonden op deze vlakte te wachten totdat ze konden gaan drinken. Tijdens onze rit naar Halali hebben we nog diverse grote groepen zebra’s gezien. De duizend hebben we zeker gehaald. ’s Avonds hebben we met zijn vijven gebraaid en zijn om de beurt nog even bij de waterpoel wezen kijken. Marleen en Maaike hoorden alleen kikkers, Ben en Eelke hebben nog een neushoorns en een hyena gezien.

Na weer een korte nacht (over het algemeen leveren onze bezoeken aan nationale parken ons een slaapgebrek op) zijn we doorgereden naar Namutoni, om daar net buiten de gate te overnachten. Ook nu hebben we onderweg weer van alles gezien: springbokken, zebra’s wildebeesten, giraffen, olifanten, jakhalzen, struisvogels, hartebeesten, zelfs nog een enkele neushoorn. Vlak voor we bij Namutoni aankwamen zagen we verderop iets de weg oversteken, formaat kat. Rijden!! Het bleken twee leeuwen te zijn. Van de andere kant kwam nog een derde leeuw aan en Ben heeft in de verte nog een vierde zien weglopen. Toen de leeuwen uit beeld waren en we wilden vertrekken, keken we voor de zekerheid nog een keer naar links. Je wilt natuurlijk niet hebben dat als je net weg bent er nog een paar leeuwen aankomen. En er kwamen nog wat dieren achter de bosjes vandaan. Eerst eentje, toen nog eentje en nog eentje, uiteindelijk kwamen er nog vijftien leeuwen aan. Eigenlijk wilden ze de vier van daarvoor volgen, maar er waren al zoveel auto’s gestopt dat ze besloten hebben maar even in de bosjes te wachten. Het even duurde langer dan dat wij uiteindelijk wilden wachten en zo goed waren ze niet meer te zien. Uiteindelijk zijn we toch maar doorgereden. Moe maar voldaan van deze lange dag kwamen we aan bij onze overnachtingsplaats.

Ben en Marleen hebben hun dag dieren kijken nog verlengd met een avondgamedrive: er was tenslotte toch oppas in de buurt. Gelukkig slaapt Lisette als ze slaapt, dus de oppas had een rustige avond. Deze gamedrive was eigenlijk een nachtdrive, want de auto vertrok pas om half negen. Dan is het al een paar uur donker en meestal moeten de auto’s om zeven of acht uur een park uit zijn. Dan zie je wel dieren in de schemering, maar dit was dus een uitstekende mogelijkheid om echte nachtdieren te zien. Omdat dit een privépark is, zijn de regels minder strikt. Dieren zoeken met een zoeklicht is geen probleem. Bij terugkomst hebben we uiteraard gevraagd: ”en, nog wat gezien?”. “Euh, nee, niet zo veel eigenlijk, ja een euh ..  hoe heet ie … aardwolf”. Wát, een aardwolf?! Die willen wij ook zien!! Hopelijk is ie er de avond erna ook, want dan gaan wij een gamedrive doen. Helaas voor hun geen luipaard, maar nog wel een bat-eared fox en springhazen. Zeker de laatste is als echt nachtdier moeilijk te vinden.

Vooruit dan: nog een ochtendje naar Etosha. We stonden weer om 7 uur bij de gate en een kwartiertje later bij de eerste waterpoel: daar kwam net een witte neushoorns aangesjokt (de meeste die we tot nu toe hadden gezien waren zwarte) en er stond nog een hyena een beetje om zich heen te kijken. De laatste verdween al weer snel in de bosjes. We hebben nog een rondje over de dik-dikdrive gedaan en dit pad deed zijn naam eer aan: we hebben zeven dik-dikjes gezien en daarnaast nog het een en ander aan ‘gewoon’ spul als giraffen en een olifant. Ben en Marleen hoorden we op de parkeerplaats bij Klein Namutoni aankomen, de uitlaat is niet zo best meer en gezamenlijk zijn we naar Chudob gereden. Marleen wilde graag de eland nog afstrepen op haar lijstje en dat is hier gelukt: een kudde van een stuk of tien elanden had hier net gedronken en was weer op weg naar de bosjes. De achttien leeuwen van de vorige middag, die in deze richting liepen, hebben we niet meer gevonden, helaas. Maar we hebben zo veel gezien dat we deze vier dagen Etosha goed gevoel afsluiten.

Nou ja, bijna dan, want onze nachtdrive kwam nog. Net buiten de lodge vonden we twee springhazen, een diertje ter grootte van een flinke cavia met grote achterpoten, bijgenaamd ‘de Afrikaanse Kangoeroe’. Verder hebben we twee grote giant eagle owls gezien (tenminste, dat zei de gids: wij twijfelen aan de tweede), bat-eared foxen en vlak voor we terug kwamen, jawel, een aardwolf! De nummer één van de lijst konden we ook afstrepen en nu willen we alleen nog een stekelvarken, want een aardvarken is echt te moeilijk. Gedurende die nacht kondigden twee stevige onweersbuien, zowaar met regen, het begin van een vroege regentijd aan. Hoe lokaal dat is gaan we de komende dagen merken: dan zakken we af naar het zuiden.

Halverwege op weg naar Windhoek, vanwaar Ben, Marleen en Lisette weer terugvliegen, slapen we nog twee nachten op het Waterbergplateau. Hier vonden we tussen de wandelpaden de zogenaamde ‘porcupine-highway’. Ze zouden hier toch niet … Maar een * met onderschrift verraadde al dat de dieren hier ook maar zelden worden gezien. Des te groter was de verrassing toen we ’s avonds bij het kampvuur door een van de obers werden opgehaald, omdat er een stekelvarken achter het restaurant zat. Inderdaad: onder een boom zat er een de vruchten van de grond te eten. Zodra ie ons zag zette hij het op een lopen, maar we hadden ‘m gezien!! We dachten dat ze gevoerd werden zodat de bezoekers ze konden zien, maar dat werd ten stelligste ontkend. Ze kwamen voor de vruchten onder de boom en die stond er toch al een paar jaar. Een half uurtje later werden we gehaald voor een tweede, die we veel beter zagen en waar we zelfs foto’s van hebben (bedankt Ben!). Uit het enthousiasme van de jongens maakten we op dat ze ze hier toch ook niet vaak zagen. Tja, nu zijn we blij omdat onze lijst compleet is, maar dat we nu ook naar huis mogen van onszelf is een minder prettige bijkomstigheid. Onze ouders hebben we wel beloofd voor kerst terug te zijn, maar volgens ons hebben we daar geen jaartal bij genoemd.   

Maar goed, eerst hebben we nog een paar dagen Windhoek voor de boeg met allerhande praktische zaken. Zo gaan we proberen de bron van (een deel van) de elektrische storingen te vinden en sinds een aantal dagen jankt de v-snaar (getande riem) onheilspellend net na het starten. Dit geluid, samen met een aantal andere rammeltjes, heeft ons (Eelke dan) wel geïnspireerd tot een nieuwe tekst op een ander (misschien minder) bekend kinderliedje: Kuikentje Piep; onze variant heet Trappetje Piep (link). De getande riem bleek overigens op een aantal plaatsen wat minder getand te zijn en we waren dus net op tijd met vervangen. Na Windhoek rijden we, via Fish River Canyon, door naar Zuid-Afrika, waar we voor eind  september een paar nachten in het Kgalagadi park hebben geboekt. Begin oktober rijden we dan naar het oosten van Zuid-Afrika, want dan komt ons volgende bezoek uit Nederland: Jan, Els en Koen (pa, ma en broer van Maaike) komen voor een rondreis van zo’n drie weken en we willen zoveel mogelijk met ze meerijden.     

Namibië algemeen

Namibië is een geciviliseerd land wat terug te zien is in de overwegend goede wegen, de grote supermarkten waar je (bijna) alles kunt kopen wat je thuis ook kunt kopen, campings met stromend warm water en elektriciteit enz. Er wonen heel erg weinig mensen, maar 2 miljoen ondanks dat het land zo groot is. De afstanden tussen steden/dorpen en wel interessante plaatsen zijn dan ook groot. Aan de ene kant is het wel fijn dat alles voor handen is, maar aan de andere kant missen we hier wel weer de charme en het geïmproviseerde van Donker Afrika. Daar krijg je hier wel weer de fantastische landschappen voor terug.

Onze vakantie naar Namibië in 2011 is voor ons de aanleiding geweest om de reis te maken die we nu maken: het weidse landschap, de vrijheid, de weinige, maar wel vriendelijke mensen, de dieren, de stilte, de sterren,  zonsopkomsten en -ondergangen, … ; stuk voor stuk zijn het redenen waarom we drie jaar geleden elkaar aankeken en binnen een minuut besloten een jaar weg te gaan. We zijn in totaal negen weken in Namibië geweest en hebben ons geen moment verveeld. Op een groot aantal plaatsen zijn we inmiddels twee keer geweest, maar het blijft de moeite waard. Ook nu zijn er nog gebieden van het land waar we nog eens naar toe moeten/willen, omdat we daar veel te weinig of nog helemaal niets van gezien hebben. Zo zijn we bijvoorbeeld erg benieuwd naar het landschap direct na een regenseizoen. En zo blijft er altijd wat te wensen over, ook al zijn we er zo lang geweest en was dit niet de eerste keer. Waarschijnlijk ook niet de laatste …


Namibië (9-8 t/m 3-9) deel II

En weer op naar Namibië. Nu blijven we wat langer dan een aantal weken geleden. Bij Immigration stonden we blijkbaar nog in het systeem, want de vrouw wist te melden dat we er al geweest waren. Na de benodigde stempel in het paspoort en het betalen van de ‘road permit’ (dachten we te weten waar ze zaten, hebben ze een nieuw kantoor) reden we Namibië weer in. We hebben nu geen haast om bij een dokter te komen, dus slapen we eerst maar eens twee nachten in Gobabis. Op een rustig campinkje met vier plaatsen en uitzicht op de lokale kinderboerderij met springbokken, struisvogels, gemsbokken en blesbokken hebben we de eerste nachten doorgebracht. Het is hier inmiddels weer een stuk kouder ’s nachts (rond het vriespunt) dus de extra slaapzak, die we net weer hadden opgeruimd, mocht weer tevoorschijn komen. Dan is het ook wel fijn dat je geen haast hebt, want dan kun je in je bed blijven liggen totdat de zon wat warmer is, zo rond half 8 ongeveer. Meestal staan we rond zonsopgang op. In Namibië heet dat nu 6 uur, maar in alle andere zuidelijke Afrikaanse landen noemen ze dat 7 uur. Maar het is net zo laat.

Op maandag zijn we toch maar op pad gegaan richting Windhoek om daar de uitlaat te laten lassen. Bij de Iveco-garage worden we doorverwezen naar de plaatselijke Kwikfit en daar hebben ze ons geholpen. Voor de zekerheid hebben we wel de accu’s losgekoppeld en Eelke bedacht zich in een vlaag van verstandverheldering dat we nog twee extra accu’s hebben: die van de zonnepanelen. Die zijn niet op dagelijks onderhoud geplaatst dus het duurde even voordat alles aan de kant was om ook deze accu’s te ontkoppelen.

Inmiddels hadden we toch ook maar een tweede nieuwe band besteld, want het profiel is er aardig vanaf na 30.000 kilometer. De volgende dag hebben we deze band opgehaald en gelijk aan de voorkant laten monteren. Om de een of andere reden kan dit niet in één keer goed gaan en de volgende middag, toen we bij Lake Oanab waren aangekomen, stond er weer eentje op de zandstand: plat dus. Eelke heeft zijn overall maar weer aangehesen en zelf de springvelg er vanaf gehaald, bij de aansluiting van de springvelg kwam namelijk lucht naar buiten.  Alles opnieuw schoongemaakt, ingevet en toen weer in elkaar gezet. En gelukkig zat ie nu wel goed.

Onderweg naar Keetmanshoop hebben we gedacht twee nachten op de uitgedoofde vulkaan Brukkaros te slapen. Onderaan de vulkaan is een campsite en halverwege de helling ook, waar je via een 4x4-pad bij kan komen. Uiteraard gingen we voor de hogere plek, want dat is korter lopen als je de vulkaankrater wilt bezoeken. Bij de slagboom zat niemand om onze bijdrage aan de plaatselijke bevolking in ontvangst te nemen, dus hebben we de boom zelf geopend. Aan de bebouwing was duidelijk te zien dat er al lang geen personeel meer was geweest. Voor de voorzieningen maakte dat niet uit, die waren toch basic en een longdroptoilet stinkt toch, schoongemaakt of niet. Op de plek waar we dachten een paar eenzame nachten te hebben, bleek al een daktentauto te staan, die overigens snel daarna vertrok en een paar uur later arriveerde een Zwitsers stel met een Volkswagenbus. Ze waren nu een jaar aan het reizen en hadden gedacht op de vulkaan een eenzame plek voor de nacht te vinden ...

Halverwege de nacht begon het te waaien en wel zo hard dat de auto op en neer schudde op z’n veren. We waren dan ook al ver voor zonsopkomst wakker en besloten maar op te staan. Toen we ontbeten, kwamen de Zwitsers al voorbijrijden: het waaide ze te hard. De koffie waaide inderdaad uit je beker. Maar ja, we hadden de krater nog niet bezocht, dus hadden we nog een wandelingetje voor de boeg. Het was een mooie plek, die normaal gesproken best stil zou kunnen zijn. Nu moesten we ons best doen niet omver geblazen te worden. We zijn dan ook niet tot aan de resten van het sterrenobservatorium gekomen dat de Duitsers in de jaren dertig van de vorige eeuw hebben gebouwd. Ze hadden daar een goeie plek voor uitgekozen, want we hebben inmiddels al aardig wat Afrikaanse sterrenhemels gezien, maar deze was, mede door afwezigheid van de maan, één van de mooiste tot nu toe. We hebben hier zeker de helderste meteoriet gezien. Verwaaid kwamen we terug bij de auto en inmiddels hadden we besloten hier geen tweede nacht te blijven. Met die harde wind werd het er ook niet warmer op, dus zaten we hier niet meer voor ons plezier. Misschien dat we hier over een paar weken, als we weer van Windhoek naar het zuiden rijden nog maar eens een nachtje gaan staan.

Tot nu toe hebben we beschreven wat we zoal hebben gedaan en hoe het met ons gaat, nog niet hoe het tussen ons gaat. Vooraf hebben we geregeld te horen gekregen dat een reis als deze wel een goede relatietest zou zijn. Als je er zo over denkt, zegt dat misschien meer over de vrager, maar goed, zo zagen wij dat niet. Tot nu toe is er wat dat betreft ook eigenlijk weinig spannends te melden. Sterker, waar we vooraf regelmatig aan een half woord van elkaar genoeg hadden, hebben we nu helemaal geen woorden meer nodig. Da’s best handig, maar ook best stil. Uiteraard hebben we wel eens wat mindere momenten. Zo bleken we ons na een paar vervelende stukken weg in Tanzania en Oeganda, te ergeren aan elkaars rijstijl. Dat hadden we nog niet eerder gehad, maar na wederom een aantal dagen zeer slecht wegdek, bleek dat het er in zat dat Maaike remt voor een obstakel en er dan langzaam doorheen rijdt. Eelke rijdt juist door en stuurt er omheen. Tja, en dan rem je wel eens te laat en soms is sturen alleen ook niet genoeg. Maar goed, ook dat heeft geen echtscheiding veroorzaakt, en zoals gezegd, tot nu toe gaat het helemaal goed en verwachten we voor de laatste maanden geen rare dingen meer.
Ja, de laatste maanden. Inmiddels begint het na een maand of tien bij ons door te dringen dat ook deze reis eindig is: ‘help, hij duurt nog maar een maand of drie!’ Inderdaad, ook dat is een luxe probleem, maar je krijgt nu toch steeds meer momenten waarop je bedenkt dat je het grootste deel al hebt gehad. Niet dat het laatste deel minder leuk is en we krijgen nog tweemaal bezoek uit Nederland. Daarnaast zijn Namibië en Zuid-Afrika twee hele mooie landen, maar toch. Zeker nu we in Namibië zijn, is het meer een gewone vakantie geworden in plaats van een uitdagende reis door donker Afrika. Wederom een luxe probleem, maar toch.      

Maar goed, waar waren we gebleven: bij een verwaaide ochtend bij de vulkaan. Van hieruit zijn we naar het kokerbomenwoud gereden, net boven Keetmanshoop. Kokerbomen zijn door heel Namibië wel te vinden, maar hier staan er veel bij elkaar. Tussen de bomen en de stenen door lopen klipdassen. Vanaf onze campingstoel waren ze helemaal eenvoudig te bewonderen, want ze kwamen gewoon voorbij gelopen op weg naar een kraantje waar we een meter of zes vandaan stonden. In Keetmanshoop hebben we de koelkast en de tank gevuld, want we hebben een week in het Namib-Naukluft park voor de boeg en daar is niet zoveel te koop. Dat is het park waar de Sossusvlei in ligt, één van Namibië’s grootste toeristen trekkers. Het is inderdaad wel een mooi gebied, tussen de tientallen meters hoge zandduinen, maar de rest van het park is zeker zo mooi. De valleien en heuvels in deze regio waren voor ons één van de redenen deze reis te beginnen.

De Sossusvlei zelf hadden we niet op de planning staan, want die hebben we drie jaar geleden gezien. Zo spectaculair was het daar nou ook weer niet en uit de hoeveelheid auto’s die we onderweg tegenkwamen konden we afleiden dat het er nu wel erg druk moest zijn. We hadden  vooraf al een ballonvlucht over deze regio geboekt en daarna zouden we wel verder kijken. Op weg naar de campsite in Sesriem, kwamen we langs het ballonkantoor en hebben de laatste gegevens nog even gecheckt. Ze bellen wel altijd vooraf om de ophaaltijd door te geven, maar we kwamen er toch langs. Nederlandse Ingrid stond ons te woord en we trokken al snel de conclusie dat ze met een ballonvaarder getrouwd moest zijn. Hoe kom je hier anders verzeild?

De volgende dag werden we even voor half zes opgehaald en naar de vertrekplaats gebracht. Drie ballonnen lagen al klaar en in de eerste werd al lucht geblazen. Maar tegen de tijd dat die eerste bijna rechtop stond, zagen we een aantal Namibiërs voorbij rennen. Een rennende Afrikaan kan twee dingen betekenen: gratis eten of echt serieuze problemen. Aangezien eten hier niet van toepassing was, was het dus mis. Inderdaad zakte de eerste ballon weer langzaam naar beneden en werden we bij elkaar geroepen: ze hadden net een telefoontje van het ministerie van milieu en toerisme gehad, met de mededeling dat er op grotere hoogte toch teveel wind was en ze niet mochten opstijgen. Dás balen en nadat we ons opgeven hadden voor de volgende dag, waren we zo’n anderhalf uur later weer terug op de camping. Dan toch maar naar de Sossusvlei en Deadvlei. In de laatste heeft ooit water gestaan, maar de waterloop is in de loop van eeuwen veranderd. Nu is het een lege vlakte met zoutkorst en tientallen dode bomen. Wij vinden ‘m mooier dan de Sossusvlei en aan de tientallen andere toeristen te zien, zij ook.

Terug op de camping kregen we een telefoontje dat het balloonen de dag erna ook niet door zou gaan en of we nog een dag konden wachten. We hebben een nacht bijgeboekt op de camping en hebben de auto verplaatst naar de site waar Erwin en Corinne stonden. Twee Nederlanders die we tot die dag niet kenden, maar als Maaike bij Geofox was blijven werken en niet op reis was gegaan, was Erwin nu haar baas geweest. Toeval? Nou, we hebben het toeval een handje geholpen. Na een middag gezellig bijgekletst te hebben (waarvan misschien toch wel anderhalve minuut over het werk) gingen we op tijd naar bed, want de volgende ochtend werden we weer even voor half zes opgehaald. Op dit tijdstip is het meestal nog stil, maar niet op deze camping. De poort naar de Sossusvlei gaat om half zes open en er stond al een rij auto’s te wachten. Als je namelijk vroeg genoeg bent, kan je Dune 45 op klimmen om daar zonsopkomst te zien. Het is de duin op de 45ste kilometer van de weg de vallei in, en vanaf daar heb je het mooiste zicht op de zon. Het is inderdaad mooi, maar één keer is voldoende. Aangezien we dat drie jaar geleden hebben gedaan, liepen we nu de andere kant op, naar de balloonbus. Dit keer ging het beter. Bij aankomst lagen er nu twee ballonnen. De meeste toeristen hebben hier een strak schema en kunnen dus niet zomaar blijven. Nou ja, een Duits stel dat bij ons in de ballon zat heeft gewoon het volgende hotel gebeld: we komen een dag later!

We hebben nog nooit in een ballon gezeten en wisten wat dat betreft niet wat we konden verwachten. Na onze helicoptervlucht over de Vic Falls en onze vlucht over de Okavango in het kleine speelgoedtoestel (Maaike: ”een klein vliegtuig? Een Boeiing 737, dat is een klein vliegtuig!”), hadden we alleen ervaring met veel herrie makende vliegmachines. Een ballon is het tegenovergestelde: het is er doodstil. Zolang de brander uit is tenminste, maar die is weer goed voor de warmte op die koude winterochtenden hier (de 2 graden boven nul in de auto hebben we al gehaald). We stegen naar 1200 meter voor een beetje wind en hadden van daar geweldig zicht op de hele omgeving. In de verte lagen Sossusvlei en Deadvlei en onder ons het landschap waar we de dagen daarvoor doorheen waren gereden. Goudgele en bruine valleien, met rode duinruggen en bruine heuvels. Na een uurtje waren we misschien wel vijftien kilometer opgeschoven, maar de afstand is niet zo bijzonder. Op deze hoogte in deze stilte dit landschap bekijken, is mooi genoeg. In de verte zag je wel waterdamp/stof in de lucht, waardoor het zicht minder werd, maar dan heb je het over ruim zestig kilometer. De landing was prima. Vooraf waren we geïnstrueerd over hoe we moesten zitten, al stelt een ‘veiligheidsinstructie’ hier nog steeds weinig voor, maar dat was niet nodig. Toen we dichter bij de grond en de volgauto-met-aanhanger kwamen, grapte Eelke nog dat de piloot net zo goed gelijk op de aanhanger kon landen. Maar de chauffeur kreeg over de radio de laatste instructies, beetje gas erbij, beetje warme lucht er uit … en de mand stond op de aanhanger. Een eindje verder stond het ontbijt inmiddels klaar en ook dat was voor ons een heerlijke ervaring. Na ons ontbijtgeknutsel van de afgelopen tien maanden, waarin we een keer of drie ergens ander hebben ontbeten, lieten we ons de zalm, makreel, gerookte zebra, gerookte ham, verse croissants, brood en panne(n)koeken (welke spelling prevaleert er op dit moment in Nederland?) goed smaken. De piloten liepen tijdens het eten rond met champagne. Onze piloot, een Belg uit de Ardennen, spraken we na de landing nog even. Hij vertelde dat er een nieuwe Nederlandse piloot in opleiding was. Zou dat ‘de man van’ zijn? Inderdaad, ze woonden hier nu een half jaar en aan het eind van het jaar mag hij zelfstandig vliegen. We vroegen ons af hoe een examen tot ballonvlieger er uit zou zien, maar dat was uiteraard pas toen we al weer op de camping waren.

Na de ballonvlucht zijn we naar de Naukluft-Mountains gereden, een kilometer of honderdtwintig verderop. Dat lijkt niet zo ver, maar met de ongelofelijk irritant vervelende Namibische wasbordwegen, duurt zo’n afstand een hele dag. Alles rammelt en schudt en er is geen snelheid waarop je constant kan blijven rijden, want elk stuk wasbord is anders. Op de camping van de Naukluft-Mountains werden we gewaarschuwd voor vervelende bavianen. We hebben vaker last van op eten beluste vierpotigen, maar dit exemplaar bleek weerbarstiger: bij het ontbijt wilde meneer ons brood hebben en stenen gooien werkte niet. Hij ging alleen weg toen Eelke één van onze stoelen op z’n kop had gegooid. Ruziemaken met zo’n beest wil je niet, want hij wint waarschijnlijk. De manager die even later een praatje kwam maken kende dit beest uiteraard en liep weg om en paar minuten later met een geweer terug te komen. Deze baviaan was een bekende lastpost waar ze al een tijdje vanaf wilden. Het blijft dubieus, dit beest is gewend aan mensen, wil eten hebben en weet waar ie het kan krijgen. Aangezien deze mank was aan een achterpoot, neemt ie grotere risico’s. Afschieten is dan eigenlijk de enige optie, maar het beest kan er zelf niks aan doen dat mensen eten laten slingeren op de camping. Er zijn zelfs mensen die het leuk vonden dit soort dieren te voeren. Als zulke dieren dan een keer niks krijgen, komen ze het halen en worden agressief. Uiteindelijk is er dan nog maar één oplossing. We hebben de manager op bavianenjacht laten gaan en zijn zelf gaan wandelen. Toen we ’s middags terug kwamen wisten we niet of de baviaan nog rondstruinde of al dood was. Dit inspireerde ons tot een variant op een bestaand kinderliedje:

Baviaantje leef je nog, ie-aa dee-aa
Ja meneer ik ben er nog, ie-aa dee-aa
‘k heb jullie eten opgegeten en het afval laten staan,
ie-aa dee-aa PANG!

Het antwoord kwam de volgende ochtend toen Maaike brood aan het smeren was in de auto: we hadden geen zin in gezeik met de baviaan. Ineens stond ie echter onder aan het trappetje en begon de auto in te klimmen. Maaike’s geschreeuw had geen effect en ze kon nog net de deur dicht trekken. Hij zat met z’n voorpoten tussen de deur en de auto en schreeuwde het uit. Piepend droop ie af. De buurman kwam op de herrie af om te zien wat er aan de hand was. En Eelke? Die was een eindje verder op een stel Engelse backpackers aan het mopperen dat ze niet moesten lachen om deze baviaan die ‘zo leuk op je eten af kwam’. Moet er toch niet aan denken wat er zou kunnen gebeuren als ie wel in de auto zit met jou erbij. Toen de manager er van hoorde kregen we complimenten, dit was de enige goede reactie. Zo veel last hebben we niet eerder van dieren gehad: hyena’s, olifanten, honingdassen, die zijn allemaal niet zo erg. Maar we kunnen het niet vaak genoeg zeggen: eten opruimen en géén dieren voeren!

Na ons verdere prima verblijf in de mountains, waarbij we met de Zwitserse buren nog allerhande vakantiebestemmingen hebben besproken, zijn we via de bakkerij in Solitaire naar het noordelijke deel van het Namib-Naukluft park gereden. Hier hebben we vier overnachtingen gepland en omdat er niks is behalve een bijzonder leeg landschap met onder andere springbokken, zebra’s, struisvogels en oryx’en, hadden we gedacht naar Rehoboth te gaan om te tanken en boodschappen te doen. Tweemaal 180 kilometer wasbord zagen we echter niet zitten en met het eten en de diesel die we in Sesriem hadden gekocht, moest het ook wel lukken.     

Het noordelijke deel van het Namib-Naukluft park wordt met name gebruikt om doorheen te rijden van Sesriem naar Swakopmund en tegenwoordig om uranium te winnen, maar we hadden een paar jaar geleden gezien dat dit gebied meer verdient. Prima voor ons, want op de campsites was dan ook niemand anders . Nou ja, bijna dan, want de derde avond kwam er een auto met daktent de camping op, die rechtstreeks naar ons toe reed. Ja hallo, de hele camping is leeg en dan moet je bij ons komen staan. Omdraaien, dat mag je komen doen. Maar de auto stopte en een ander Zwitsers stel dat we een paar dagen daarvoor gesproken hadden, stapte uit. Biertje? En wederom hebben we Namibië, vroegere en toekomstige vakantiebestemmingen besproken. Na een tot ziens, want we zijn in dezelfde periode in Etosha, zijn we doorgereden voor onze laatste overnachting in het Namib-gedeelte. Dit wilde we doen in de buurt van de Welwitschia-drive. De Welwitschia is een plant die alleen in dit gebied voorkomt. Het waren rare hoopjes bladeren in een kringetje. Waarschijnlijk een stuk mooier in regenseizoen wanneer ze in bloei staan, maar we hebben ze gezien. Het overnachten viel in duigen, omdat de Chinezen in dit gebied bezig zijn met het aanleggen van een pijplijn en die pijplijn loopt dwars door de drie aanwezige campsites. Ondanks dat Eelke soms het civieltechnische deel mist, vonden we het te ver gaan om tussen de bulten zand, dixi, de auto’s en graafmachines te gaan slapen. Dan maar in één keer door naar Swakopmund, waar we een dag eerder aankomen dan we gepland hadden. Hier gaan we de koelkast, portemonnee en dieseltank weer vullen, de auto proberen iets minder stoffig te laten zijn en de was te doen. Dan kunnen we, wanneer vrijdag Ben & Marleen & Lisette in Swakopmund aankomen, de tijd met hun doorbrengen ipv aan huishoudelijk werk te besteden. Dat lijkt ons een stuk gezelliger en daar kijken we al een tijdje erg naar uit.  



Namibië (29-6 t/m 17-7)

Na een uurtje wachten op de ‘iets’ in de computer invullende, maar overigens aardige, dames van immigration, konden we langs de roadaccesfeedame (geen pleonasme) en mochten we het land in. We wilden zo dicht mogelijk bij Windhoek slapen en dat lukte prima bij de Airport Lodge. Ze verwachtten geen gasten meer en we werden dan ook verwelkomd door een dochter in pyama en ochtendjas (het was vier uur ’s middags) en moeder met d’r hoofd vol met krulspelden. Na een snel gebakken ei konden we op zoek naar degene met de sleutel van de bar, want Nederland-Mexico begon al vrij snel: in Namibië is het een uur eerder dan in Nederland. Het eerste kwartier hebben we dan ook gemist, maar ach, het spektakel zat toch pas aan het eind.

De volgende ochtend kregen we van de eigenaresse het adres van een dokter, die ze al had gebeld en die tijd voor ons had. De dokter bleek een alleraardigste mevrouw te zijn, die blij vertelde dat Eelke het schoolvoorbeeld had van de symptomen van de putsifly, ook wel mangofly genoemd. Die legt eitjes in drogend wasgoed en daarom moet je dat in de zon laten drogen tot het helemaal droog is. Vanuit je kleding kruipen ze dan onder je huid en komt er later een wormpje naar buiten. Beetje vreemd, want die komen alleen voor in warme en vochtige gebieden en we hebben het de laatste tijd erg koud gehad. Dus waar zou dat vandaan moeten komen? Dat antwoord hadden we snel toen we wisten dat Sandra er ook last van heeft: Zimbabwe dus.

Maar in Zimbabwe hebben we ook gewandeld en wij hebben allebei een aantal teken uit ons lijf gepeuterd. In eerste instantie kreeg Sandra ook de diagnose putsiflies, maar dat werd door het ziekenhuis bijgesteld naar Afrikaanse tekenbetenkoorts. En die omschrijving past net even wat beter. De antibiotica die Eelke van de arts had gekregen is dezelfde als die voor teken gebruikt wordt, dus dat kwam goed uit. Die hebben we voor Maaike ook gelijk maar gehaald, want ze kreeg dezelfde symptomen die Eelke een paar dagen daarvoor had. De tekenbetenkoorts (leuk woord voor galgje) is niet erg gevaarlijk, maar wel heel vervelend. Eén van de symptomen is ‘algehele lamlendigheid’ en dat samen met koorts, hoofdpijn, vermoeidheid en spierpijn zorgde ervoor dat we ons niet al te fit voelden. Er horen ook nog kleine open zweren verspreid over je lichaam bij, op de plaats waar de teek gebeten heeft. Dus onze eerste week in Namibië werd een rustige week waarin we gemiddeld twaalf uur per nacht hebben geslapen en de eerste dagen een halve doos pleisters per dag gebruikten.

We hebben nog wel onze reserveband opgehaald en zijn naar de Ivecogarage gereden om onze auto van nieuwe filters en olie te laten voorzien. Ook de spoorstangkogels die Sandra mee had genomen zijn er onder gezet. In theorie konden we dat ook zelf, maar aangezien ze er twee uur met drie man aan bezig zijn geweest, hebben we er geen spijt van dat we het hebben laten doen.

Vanuit Windhoek zijn we op ons gemak vertrokken richting de Caprivi Strip, die tegenwoordig de Zambezi Region heet. De reden van deze wat vreemde naamswijziging weten we niet, misschien wilden ze gewoon van de Duitse naamgever Von Caprivi af. Onderweg hebben we de plaatsen Okahandja, waar we de lekkerste biltong tot nu toe hebben gekocht, Otjiwarongo, Tsumeb en Rundu aangedaan.

De wegen zijn hier goed: breed asfalt en bijna geen potholes in het asfalt. Er zitten ook bijna geen bochten in de weg en het landschap is wel mooi, maar vrij eentonig. In de buurt van Windhoek zijn nog wel wat heuvels, maar hoe noordelijker en uiteindelijk oostelijker je komt hoe vlakker het land wordt. Het verkeer bestond voornamelijk uit vakantievierende Zuid-Afrikanen. Deze mensen durven volgens ons niet alleen op vakantie, want ze zijn in 99% van de gevallen met meerderen. Het werd voor ons de sport om te tellen met hoeveel ze zijn, elke keer dat ze ons tegemoet kwamen of we ingehaald werden. Af en toe zat er een dappere Zuid-Afrikaan tussen: die was in zijn eentje. Nu we het toch over Zuid-Afrikanen op vakantie hebben: we weten dat Europeanen een hoop spullen mee kunnen nemen op vakantie, maar zo erg als bij de Zuid-Afrikanen hebben we het niet eerder gezien. Meestal hebben ze een aantal tenten, staan overal tafels, tafeltjes en stoelen en krukjes, de meesten hebben een magnetron en een oven bij zich. En een strijkijzer…. Sommigen zelfs een klein wasmachientje. En uiteraard de gezellige Afrikaanse sfeerpeer: een tl-balk in combi met nog wat andere heldere led-verlichting of spaarlampen. Ze zijn dus bang alleen en bang in het donker.

In Otjiwarongo zijn we naar de ‘opstopperij’ geweest, waar ze dieren opzetten. Nou ja, eigenlijk alleen de koppen van dieren die mensen tijdens hun jachtvakantie hebben geschoten. De commerciële jacht wordt strikt gereguleerd door de overheid, waarbij een bepaalde hoeveelheid permits per jaar per diersoort wordt uitgegeven. In de opstopperij zetten ze ongeveer 800 dieren per jaar op. De werkplaats zag er professioneel uit en ondanks dat het zaterdag was, was er nog een aantal mensen aan het werk. We hebben een aantal onderdelen van het proces gezien: het schoonmaken van de huiden, het zacht maken van de huiden, vervolgens worden de huiden over een piepschuim model gemodelleerd. Daarna wordt alles in elkaar gezet, krijgen de koppen weer kunststof of glazen ogen, wordt er indien nodig wat bijgewerkt aan de kleur van de oren enz enz. Een aardig priegelwerk in ieder geval. Het dubbele gevoel dat we hier bij hadden, werd versterkt door het feit dat de mensen die er werken dat doen met liefde voor de dieren: anders kunnen ze ze nooit zo mooi opzetten.

Aan de westkant van de Caprivi hebben we Popa Falls bezocht. Eigenlijk stellen deze watervallen niks voor in vergelijking met de Vic Falls, maar het is wel een leuke locatie. De eerste nacht hebben we geslapen bij het Popa Falls Resort. Klinkt duur, dat viel wel mee, maar was wel vrij sjiek vergeleken met de plaatsen waar we meestal komen. ’s Avonds hebben we hier Nederland-Argentinië gekeken. Onze medekijkers waren blijer dan wij, want zij waren voor Argentinie. Maar goed, nu hoeven we voor zondag geen televisie te zoeken. Omdat we nog wel in deze regio wilden blijven, maar de campsite van het resort vol zat, zijn we verhuisd naar de Nunda Lodge een paar kilometer verderop. We hadden de eigenaar net verteld waar we vandaan kwamen en dat ze vol zaten, toen de receptioniste wist te melden dat hun campsite ook vol was. De eigenaar wilde ons niet wegsturen en bedacht wel wat. We hebben op een mooi grasveldje voor/naast de receptie gestaan en we kregen onze eigen privébadkamer. We hebben het wel eens voor minder gedaan. Ze hadden ook mooie plekken aan het water, maar ja dat ging dus niet door.

Van hieruit hebben we nog een middag rondgereden door het Mahango NP. Dit ligt tegen de grens met Botswana aan en wordt aan de oostzijde begrensd door de Okavango. Aangezien het inmiddels al een aantal maanden droog seizoen is, zijn de dieren afhankelijk van de rivier voor hun water. En dieren hebben we gezien: kudu’s, sabelantilopen, roanantilopen (de eerste keer dat we deze hebben gezien in een park), een grote kudde wildebeesten, impala’s (uiteraard), giraffen, rode hartebeesten, olifanten, bosbokken, zebra’s en nijlpaarden. Op dit moment is het winter in Namibië en dat vinden de nijlpaarden maar niks: in plaats van dat ze de hele dag in het water liggen voor de verkoeling, liggen ze nu de hele dag op de kant om op te warmen in de zon. We hebben nog niet eerder zoveel nijlpaarden op de kant en tussen de bosjes door zien scharrelen.

Van Popa Falls zijn we richting Kongola vertrokken. Ten zuiden van Kongola hebben we overnacht bij de Numashasha Lodge. Eelke heeft de volgende ochtend onze campingburen (Zuid-Afrikanen, maar één gezin!) geholpen met het duwen van de auto: blijkbaar was de accu leeg. Helaas liep het campingveld erg schuin af, eh in dit geval dus op. Daar moest de auto tegenop: goede ochtendgymnastiek. Later zijn we zelf vertrokken richting Mudumu NP. Dit park ligt ook aan de Okavango. Zoveel dieren als in Mahango NP hebben we hier niet gezien, maar de campsite voor ons alleen met uitzicht over het water maakte dat helemaal goed. Het was net volle maan geweest dus ’s avonds hadden we voldoende aan het maanlicht. Het water was spiegelglad dus konden we zowel de bomen aan de overkant van het water als de sterren erin zien weerspiegelen. Af en toe kwam er ook nog een nijlpaard voorbij gespetterd in het water. Dit zijn wel weer de plekken waarvoor we op reis zijn gegaan.

We hebben nog een paar dagen voor onze reservering in Chobe en Moremi en de Vic Falls zijn hier niet ver vandaan. Omdat de Zambezi nu lager zou moeten staan en de watervallen nu beter zichtbaar zijn, gaan we daar nog even naar terug. Om van Namibië in Zimbabwe te komen, rijd je een kilometer of vijftig door Botswana. Op dit soort dagen realiseer je je weer even hoe makkelijk het vrije verkeer van personen en goederen bij ons is. Hier hadden we twee grensovergangen, die eigenlijk niet eens moeilijk zijn, maar anderhalf uur waren we per keer toch weer kwijt. Zo deed de controleur bij het mond-en-klauwzeer-checkpoint moeilijk over het bundeltje brandhout dat we op het dak hadden liggen: dat mag niet. Op onze vraag hoe een boom met mond-en-klauwzeer er dan uitzag was het enige antwoord “het mag niet”. Vlees, nou ja, dat zouden we kunnen snappen. Maar ook eieren, tomaten, kaas, fruit en allerlei ander spul mag Botswana niet in omdat er in Namibië dus mkz heerst. Dat de meeste producten uit Zuid-Afrika komen deert ze niet en in discussie gaan levert hetzelfde resultaat als in Nederland gaan mopperen dat er geen vloeistoffen het vliegtuig in mogen. De regels slaan nergens op, maar ja, het zijn nou eenmaal de regels. Nadat we bij customs hadden gezien dat we de vorige keer te weinig hadden betaald voor de roadaccessfee, mochten we nu oor een beetje meer het land in ... om er een uurtje later aan de Zimbabweaanse kant weer uit te rijden. Daar deed de dienstdoende customsman moeilijk over onze autoverzekering. We hebben een Comesa, een verzekering voor een groot aantal landen in zuidelijk Afrika, maar dat zou ineens alleen gelden voor auto’s die daar ook geregistreerd staan. Nadat we weer eens bij een customsbaas in een kantoortje waren geweest (we vragen wel vaker uitleg om dubieuze regels) hebben we toch extra verzekering betaald. We zijn nu drie keer Zimbabwe in gereden en hebben drie keer andere regels gehad. De verklaring volgens deze man: “de anderen kennen de regels niet”. Maar goed, we mochten Zimbabwe weer in op weg naar de Vic Falls! 

 




Ja, ook wij zitten aan de cookies. Ze helpen ons ergens mee ... Hier klikken, dan ben je van de melding af.