Kenia

- Wie zijn wij - - Reisverslagen - - Onze auto's - - 'This is Africa' - - Album - - Contact / Links - - Gastenboek - - Voor overlanders/reizigers -

Kenia (10-3 t/m 27-3) deel II

Bij Lake Navaisha hebben we een week op camping Carnellye’s gestaan. Die was ons aangeraden door iemand die we op Robert’s Camp hadden ontmoet. En al is het niet altijd makkelijk om te ontdekken wat iemand anders een leuke camping vindt, dit was een goed advies: het was een mooi, ruim grasveld aan de rand van het meer met veel schaduw van alle bomen die er stonden. De eerste ochtend wachtte ons gelijk een leuke verrassing: op de voorband stond een pakje Albert Heijn stroopwafels!! Geen idee wie het er heeft neer gezet, we hebben er geen Nederlander gesproken en niemand heeft zich gemeld voor een bakkie-met-stroopwafel , maar we waren er erg blij mee. Dus mocht je van iemand horen dat ie een gele auto met Nederlands kenteken heeft gezien: bedank ze maar namens ons. Een paar dagen later dreigde de rust op de camping nog even verstoord te worden, toen een overlandtruck z’n tien tentjes tussen ons en de enige andere tent in wilde gaan zetten. Maar die kreeg al snel op z’n flikker van de campingbaas: “Op het hele terrein is voldoende ruimte en dan moeten jullie precies tussen de andere twee gasten in gaan staan? Wegwezen daar!”. Niet lang daarna hoorden we de radio in een andere hoek van het terrein aangaan ….

Dicht bij Lake Naivasha ligt Hell’s Gate National Park. Langs de weg langs het meer zie je meer wild dan in het park, maar het is wat betreft landschap zeer de moeite waard en je mag het park als een van de weinige op de fiets en te voet bezoeken. Aangezien het maar een paar kilometer van de camping was, hebben we daar fietsen gehuurd. Hier hadden we na een meter of honderd eigenlijk al spijt van, want het zadel leek meer een op maat geschaafd stuk Azobéhout dan een redelijke zitting voor een dagje gravelwegen befietsen. Maar goed, je moet er wat voor over hebben. Twee dagen zadelpijn in ons geval. In het park leven ook leeuwen en op onze vraag wat we moesten doen als we die tegenkwamen, kwam het bemoedigende Afrikaanse antwoord: “then you are very lucky!!”. En daar konden we het mee doen. Overigens hoorden we een paar weken later dat er helemaal geen leeuwen meer zijn.

Als je door een park fietst, kan je dichterbij de dieren komen dan met de auto. Zelfs de zebra’s bleven hier staan. Het was hetzelfde effect als in Milwane, Swaziland, waar we het park te paard hebben bezocht. Je fietst door een brede uitgesleten canyon en in het midden staat nog een grote hoop stenen overeind. Daar mag je tegenopklimmen en aangezien Eelke dat nog niet eerder gedaan had, moest ie even naar boven. Met klimmen is het eigenlijk hetzelfde als met fietsen, lopen en autorijden: naar boven is het makkelijkste, want dan kan je namelijk je snelheid beter beheersen. Vindt Eelke tenminste. Dus naar beneden was eigenlijk maar niks. Aan het einde wordt de canyon een smalle kloof, waar je in het regenseizoen niet eens kan komen, we hebben hier nu nog een rondje kunnen lopen. Het park wordt wat ontsierd door enkele boortorens. Gevaar voor olielekkages is er echter niet, want ze boren naar warm water/stoom. Dat komt met 300 graden de grond uit en wordt direct gebruikt om generatoren aan te drijven. Op deze manier voorziet Kenia in een derde van de stroombehoefte.

Ten oosten van het meer ligt nog een klein kratermeer. Dit zou ook een mooie plek moeten zijn, maar de toegang van $ 25,- beloofde meer dan het was. Langs de oevers van het meer heeft een wandelpad gelopen, maar omdat het waterniveau in dit meer ook hoger stond dan normaal, is er een paar meter verderop een nieuw pad gehakt. Uit de hoefafdrukken, het zag er uit als een ruiterpad, konden we afleiden dat het pad meer door vee werd gebruikt dan door wandelaars. We hadden echter geen paadje gezien waarlangs de koeien dan naar beneden hadden kunnen lopen. Na een tijdje ontdekten we de echte veroorzakers van de omgewoelde grond: vlak voor ons stonden vier giraffen in de bosjes bladeren van de bomen te plukken. Aangezien ze niet echt van menselijk gezelschap houden, was de ontmoeting slechts van korte duur.

Na een week hadden we het er wel gezien, daar kwam bij dat het regenseizoen hier begon en dat betekende ook gelijk een temperatuur van 15 graden en zijn we richting Nairobi gereden. Ons plan was daar de David Sheldrick Elephant Orphanage te bezoeken, weer eens goed boodschappen te doen en dan door te rijden naar … ergens voorbij Nairobi. Bij David Sheldrick kan je alleen tussen elf en twaalf ’s ochtends terecht en gezien de afstand moest dat makkelijk lukken. Het was ook zondag, dus een echte ochtendspits verwachtten we niet. Wisten wij veel dat heel Nairobi op zondag om elf uur in de kerk moet zitten. We bleken door een goede buurt van Nairobi te rijden, dus deze mensen gingen met de auto naar de kerk.  Het was maar goed dat we een half uur eerder dan gepland in de auto zaten en met die ene wegopbreking er bij, kwamen we net na elven bij de orphanage. Ze vangen er olifantenbaby’s op, die wees zijn geworden als gevolg van stropers. In sommige delen van de wereld neemt het aantal olifanten misschien toe, in Afrika is de afname dramatisch. Elke baby die ze hier weer terug kunnen zetten is een hele belangrijke. De kleintjes komen uit het hele land, maar worden teruggezet in Tsavo NP. In de loop van de jaren hebben ze al enkele honderden terug het wild in kunnen krijgen. In de beginjaren was het erg lastig om de kleintjes groot te krijgen, want waar haal je olifantenmoedermelk vandaan? Daphne Sheldrick heeft er 28 jaar over gedaan om de juiste combinatie van oliën en voedingsstoffen te vinden, maar nu gaat het prima. Het is wel erg grappig om te zien hoe de kleine olifantjes zelf hun fles vast kunnen houden en de melk al slurpend naar binnen werken. Daarna probeerden de kleinsten nog wat water te drinken en zand over hun rug te gooien, maar zowel van het zand als van het water ging het meeste ernaast. Blijven oefenen…

Na de orphanage hebben we boodschappen gedaan bij de Nakumatt, de lokale Albert Heijn. Aangezien het weken geleden was dat we een grote supermarkt hadden gezien, we de avocado-tomaten-uien-combinaties beu waren en zelfs het blikvoer inmiddels op was, hebben we het meeste geld uitgegeven aan boodschappen tot nu toe. Het fruit is in Kenia helaas ook minder lekker dan in Oeganda, dus ook dat bood weinig afwisseling. Maar we hebben de voorraad weer aangevuld en we hebben zelfs weer Engelse drop.      

Van Nairobi zijn we naar Tsavo NP gereden over een brede asfaltweg, met twee rijstroken per richting. Dat hadden we lang niet gezien en we moesten weer even leren kijken. Gelukkig werd het snel smaller en konden we terugvallen op de inhalen-over-een-doorgetrokken-streep-alertheid. Dat snapten we tenminste weer. Drempels en potholes waren er gelukkig niet, al duurde het even voordat we daar op durfden te vertrouwen. Overnachtingsmogelijkheden zijn er ook niet heel veel en direct naast deze weg slapen is ook niet aan te bevelen. We begonnen dus ruim voor donker met zoeken en dat was maar goed ook. Wat we in de Garmin vonden, bestond niet meer. De lodge daarnaast vroeg € 8,- per persoon voor een ommuurd stuk beton en de campsite van de KWS (Kenian Wildlife Service) moest € 14,- per persoon hebben. De laatste wees ons wel op een lodge aan de overkant en die was een stuk schappelijker (€ 5,- pp wat we normaal ook betalen in Kenia) en we kregen een plek in de tuin toegewezen. Het was inmiddels donker geworden, we hebben een hapje eten gekookt en zijn gaan slapen. Toen het ’s ochtends licht werd, bleek dat we in iets stonden wat ooit een midgetgolfbaan geweest was.

Tsavo NP konden we alleen binnenkomen als we eerst een Safaricard haalden. De eerste gate moesten we voorbij en doorrijden naar de Voigate. Dit stadje was niet veel bijzonders, maar de campsite die we vonden was een klein terreintje, wat nog het meest leek op een combinatie van een boomgaard en een theetuin. In Tsavo hebben we voor het eerst kennisgemaakt met Kenia’s safarigekte: we hobbelden op gemak het park in, toen een stuk of vijftien safariauto’s ons op hoge snelheid voorbij reden. Een klein halfuur later zagen we de hele bende elkaar verdringen langs de kant van de weg. We pakten onze verrekijker en konden niets anders vinden dan een paar zebra’s en wat impala’s. Navraag bij een van de safariknakkers leerde dat ‘iemand in de verte een leeuw had gezien’. Ja, de groeten, daarvoor gaan we hier niet tussen dat andere spul staan. Tsavo zelf was wat ons betreft het minst bijzondere park tot nu toe. Op anderhalve giraf, wat verstopte olifanten, een clubje impala’s en een paar generuks na, hebben we geen dier gezien. De wegen waren ronduit bagger, toiletten hadden ze niet en het landschap begon na een uur al te vervelen. Kortom KWS: doe iets met die $ 75,- die je hier per persoon vangt. Ruim voor gatesluitingstijd stonden we dan ook weer buiten. De lodges hier houden niet van overlanders op de parkeerplaats, dus we hebben de auto maar een eindje van de weg onder een boom geparkeerd. De volgende dag zijn we over het wasbord naar Malindi gehobbeld.

Malindi is een stadje aan de Indische Oceaan dat ’s zomers overspoeld wordt door Italianen. Er leeft ook een niet-migrerende kolonie Italianen, die onder andere pizzeria’s en ijssalons begonnen zijn. Met name met de tweede waren we erg blij. Overigens waren we blij dat we in het laagseizoen waren, naar onze zin waren er nu eigenlijk al teveel toeristen. Vreselijk volk is dat trouwens, toeristen, maar die conclusie trokken we in Zuid-Afrika al. Eigenlijk zijn alle buitenlanders in Afrika vreselijk, maar dat is een ander verhaal. We vonden een plek op de enige ‘camping’ in Malindi. Toegegeven, je mag ook voor de entrance fee van het park je auto op de parkeerplaats van de KWS aan het strand zetten, maar wij namen de lodge/campsite aan de andere kant van de weg. Ergens tussen de lodges kan je je auto of tent neerzetten en omdat het toch laagseizoen was kregen we een lodge om daar het sanitair te gebruiken. We hebben een rondje met een glasbottomboat gevaren, maar behalve de vissen die naast de boot zwemmen, die op het uitgestrooide brood af komen, is er eigenlijk niks aan. Zonde van het geld en eentje voor de categorie ‘touristtrap’. Daar hadden we er gelukkig nog geen van gehad, dus het mag wel een keertje. De wifi-van-de-buurman op het strand bleek in tegenstelling tot wat gezegd werd, wel een beveiliging te hebben, dus hebben we weer een tuktuk de stad in genomen en zijn ijs gaan eten. Waarschijnlijk duurt het wel weer even voordat dat weer kan.

Van Malindi zijn we naar Watamu gereden, een volgend toeristen plaatsje langs de kust. Onderweg hebben we de ruïnes van Gede bezocht: een welvarende stad in de vroege middeleeuwen, maar sinds een paar honderd jaar is het verlaten. Pas een jaar of 150 geleden werden de ruïnes onderdekt en sinds 1948 is er het een en ander blootgelegd. Via een boomplatform hadden we goed zicht op het paleis. Watamu zelf is niks bijzonders, tenzij je van toeristenzooi houdt. De percelen langs de kust zijn bebouwd met dure en duurdere resorts, wat ons weinig kans gaf op een overnachtingsplaats. Het was nog vroeg en we stonden net op het punt om verder te rijden, toen we aangesproken werden door een blanke jongen die vroeg of we verdwaald waren. Dat niet, maar of ie misschien een plaats voor vannacht wist? Geen probleem, we konden wel bij hun slapen, een Nederlands stel runt de boel en, wacht even, “Esther!!”, kwam net langsrijden, kon ons wel verder helpen. Esther keek even moeilijk, want ze hebben wel lodges, maar geen campsite. Omdat we voor een nacht niks nodig hebben behalve een paar vierkante meter en bij voorkeur een toilet, was het geen probleem en ze wees ons waar we heen moesten.       

Esther en haar man bleken voor een jaar A Rocha Kenya te runnen. Dat is een NGO die onderzoek doet naar allerhande vogels, zeeleven en hoe de lokale bevolking duurzaam met en van Gods schepping kan leven. Om geld binnen te krijgen hebben ze een aantal voorzieningen gemaakt voor toeristen. Het boomplatform waar we eerder die dag waren geweest, bleek er een van en op hun eigen terrein staan voor gasten en vrijwilligers een stuk of acht lodges. Er was ook een klein grasveldje en met een paar keer steken konden we daar prima staan. Al snel bleek één nacht te kort: “zijn jullie al in Mida Creek geweest? En we gaan ook naar de rockpools, kunnen jullie gelijk mee”. En ze hadden een wasmachine (12 kg !), dus we hebben de volgende ochtend gelijk het beddengoed er af gehaald en met de handdoeken in de trommel gestopt. Voor het eerst in maanden hadden we weer een volle dag met allerhande randvoorwaarden, zoals  het tij, wachten op de wasmachine, gezamenlijke maaltijden en afspraken met de groep. Er was namelijk ook een groep van twaalf scholieren die er een aantal dagen doorbracht.

De volgende stop op ons lijstje was Shimba Hills NP. Het is een relatief klein reservaat, waar we de sabelantilopen zouden moeten kunnen zien. Ons idee dat ze misschien net zo schuw zouden zijn als de bongo’s in Aberdare bleek niet terecht, want al bij ons eerste rondje kwamen we ze tegen. Na Tsavo was dit park een verademing: het was een afwisseling van dichte begroeiing, bossages en open stukken, ondanks de kleine oppervlakte waren er een stuk of vier nette picknickplaatsen met schone toiletten en de campsite was niet alleen een stuk gras, maar had ook een watervoorziening, douches en toiletten. ’s Ochtends stonden we vroeg op om leeuwen te spotten, maar het had de hele nacht geregend en ook ’s ochtends bleef het niet droog. Katten hebben we niet gezien, maar ondanks het weer zagen we wel twee groepen sabelantilopen, giraffen, impala’s, hartebeesten, buffels, een palmnutvulture die een schildpad probeerde op te eten (peuteren door de openingen van zijn poten en kop) en een immature african crowned eagle die opgejaagd werd door een jonge sabelantilope. De laatste twee van slechts enkele meters afstand, maar omdat ons fototoestel helaas de vorige dag besloten had met vervroegd pensioen te gaan, hebben we daar geen foto’s van. De Gopro maakt wel foto’s, maar zoomen lukt er niet echt mee.

’s Middags hebben we een camping in Diani Beach gevonden en Maaike’s verjaardag gevierd. Met ballonnen aan een scheerlijn en de sleeplinten als slingers hebben we de auto versierd en bij de plaatselijke AH hadden we taart meegenomen. De volgende ochtend zijn we de grens met Tanzania overgegaan en met welk visum dat na lang discussiëren is gelukt, komt in het volgende verslag.      

Kenia (26-2 t/m 9-3) deel I

De grensovergang van Oeganda naar Kenia was een van de snelste die we hebben gehad en ook een van de goedkoopste. We hoefden alleen maar een visum te kopen en verder niks. De man van Customs had ons carnet gestempeld en geopperd dat we mochten betalen voor de tijdelijke import van onze auto, maar dat het eigenlijk niet hoefde met dit document. We hebben vriendelijk om zijn grapje gelachen en zijn zonder te betalen door gegaan. Bij de grens hebben we ook een Comesa gekocht: een Third Party autoverzekering voor Kenia, Tanzania, Malawi, Zambia en Botswana. Even rondkijken loont: bij de eerste container wilden ze $ 245,- dollar hebben voor zes maanden, we betaalden een container verderop $ 100,- voor vijf maanden. Eigenlijk hadden we die al eerder moeten hebben … we hebben vier landen zonder verzekering gereden. Maar we konden ‘m niet eerder vinden. In Zimbabwe hebben we echt ons best gedaan, maar het lukte niet. De enige die ons daar een Comesa wilde verkopen wilde exact weten wanneer we in welk land zouden zijn en vroeg $ 50,- per land. Maar goed, we hebben er een en deze schijnt ook echt uit te betalen als er iets gebeurt.

Toen we de grens over staken, wisten we nog niet zo goed wat we in Kenia wilden gaan doen/bekijken. Gebruiken we het land alleen als doorgang naar Tanzania of gaan we een rondje maken en het een en ander bezoeken? Mede vanwege de belachelijk hoge tarieven voor de parken in Tanzania, is het uitgedraaid op een rondje met wat bezienswaardigheden. 

De eerste paar nachten hebben we doorgebracht in Kakamega Forest. Dit bos is te vergelijken met Mpanga Forest en Mabira Forest in Oeganda. Vroeger was dit ook één groot bos, dat van het westen van Kenia, door Oeganda tot het oosten van Congo liep. Er zijn nu nog een paar kleine snippers van over. In dit bos leven vliegende eekhoorns en de langzame potto: die wilden we wel zien. De avondwandeling was een beetje teleurstellend: we hebben de vliegende eekhoorn wel gezien, maar helaas alleen boomklimmend en niet vliegend. En na twee uur lang elke boom met een zaklamp te hebben afgezocht hebben we geen potto gezien. Maar ja, dat is het nadeel  van wilde dieren: die werken niet op commando en je kunt er ook geen kwartje in gooien.

Vanaf hier zijn we in noordelijke richting gereden naar Lake Baringo. Hier hebben we een paar van onze warmste dagen tot nu toe beleefd. In de schaduw was het 40 graden in de zon ca 50 en ’s nachts bleef de thermometer steken op 32 graden. Lake Baringo maakt deel uit van de Rift Valley. Sinds een paar jaar stijgt het waterniveau van deze meren, maar de oorzaak is niet bekend. Het komt niet alleen door de regen, dat is tot drie jaar geleden nooit een probleem geweest. Er zijn diverse campings en lodges waarvan een deel onder water is komen te staan en de meeste eigenaren vrezen dan ook de komende regenperiode. Tijdens een ochtendwandeling hebben we een hoop vogels gezien en nog een paar schorpioenen. De zwarte schorpioen durfde de gids nog wel beet te pakken, maar de bruine (veel giftiger dan de zwarte) liet hij toch mooi lopen. De gids was overigens een leerling van Terry Stevenson, de schrijver van ‘Birds of East-Africa’. Daar hebben we een hoop van opgestoken.  

De weg langs het noorden van Lake Baringo loopt door een heel erg droog gebied. Er groeien bijna alleen maar acacia’s en deze waren momenteel kaal. Hier hebben we ook verschillende kuddes dromedarissen gezien. Deze worden blijkbaar door de daar levende stammen gehouden, want overal liep een herder bij. De weg leek af en toe meer op een rivierbedding dan een weg, maar was met alle stenen wel redelijk te rijden. We hebben de nacht doorgebracht bij het Mugie Wildlife Conservancy. Het is een reservaat, maar ook gelijk een boerderij. Maakt niet uit: wij mochten onze auto hier parkeren en hebben de volgende ochtend een gamedrive gedaan. De gids weer op zijn plastic tuinstoel achterin en rijden maar. Al vrij snel zagen we een grote groep leeuwen. De gids had het over 19, maar tellen bleek niet zijn sterkste kant te zijn. Wij hebben er circa 12 gezien en met de losse leeuwen waaruit volgens de gids de pride bestaat kwamen we op 17. Ze hadden twee dagen ervoor een buffel te grazen genomen en hadden daar nog eten van. Inmiddels was het wel rusttijd voor ze en tegen de tijd dat ze allemaal sliepen zijn we weer doorgereden. We hebben verder nog twee verschillende soorten zebra’s, giraffen, olifanten, grant gazelle (stond mooi op de uitkijk op een termietenheuvel), buffels en waterbokken gezien. Een giraf hadden we overigens ook al op de boerderij zelf gezien. Drie weken terug was er een kleintje van toen een week oud binnengebracht. Het hummeltje was vier weken oud, maar keek al wel op je neer. Maar goed, we hebben wel een giraf geaaid! Al met al een geslaagd bezoek.

De route hebben we in zuidelijke richting vervolgd. Langs de weg liggen verschillende conservaten, zodat we regelmatig kuddes zebra’s, grant- en thomson gazelles tegenkwamen. We wilden in Sweetwaters slapen, maar na een korte conversatie aan de poort (That’s $ 90,- per person for one day. You also have to pay the camping. Houdoe en bedankt!) zijn we doorgereden naar Nanyuki en hebben we daar de nacht doorgebracht. Daarna zijn we doorgereden naar Aberdare NP. Hier zijn we twee dagen gebleven.

Aberdare NP vonden wij een heel erg mooi park. Eigenlijk een van de mooiste tot nu toe en een park zoals we tot nu toe nog niet eerder hebben gezien. Het ligt vrij hoog: tussen de 2000 en 3200 meter. De begroeiing is erg dicht en lijkt wel op een tropisch regenwoud. Hierdoor was het erg lastig om dieren te spotten. Het was wel grappig om buffels tussen de bosjes uit te zien komen, maar ook om ze met twee stappen volledig te zien verdwijnen. Op sommige plaatsen was er een doorkijk naar een open terrein of waterpoel, waar we de meeste dieren hebben gezien. Er moeten ook bongo’s leven, maar volgens de reisgids was de kans om een leeuw of luipaard te zien groter. Ja hoor, dachten wij, dat zal wel. Je moet wel heel  veel geluk hebben: als je ergens de hoek om komt moet dat luipaard net de weg over steken. Eén keer raden: binnen een half uur nadat we dit tegen elkaar gezegd hadden, remmen we af op een helling om de bocht om te gaan en wat staat er in de berm: een luipaard!!! Toch heel veel geluk vandaag. Het luipaard was net zo verbaasd als wij, want er komen op deze weggetjes bijna geen auto’s en stak snel de weg over om in de bosjes te verdwijnen. Helaas geen foto, want het ging te snel.

Maar alleen voor het landschap was het park ook zeer de moeite waard. Na de dichte begroeiing aan de oostkant reden we later door een hoog bamboebos en de volgende dag tussen grote open vlaktes. We hebben hier op twee verschillende campsites in het park geslapen. De eerste avond, toen het al even donker was, voelde Maaike iets kriebelen/prikken op d’r benen en in d’r broek. De enige manier om hier vanaf te komen is je broek uit trekken en uitkloppen. Maaike kroop in de auto en binnen een paar seconden kwam er een “Eelke!! Rode mieren!!” naar buiten. Eelke dacht te gaan helpen, maar kwam er al snel achter dat z’n eigen schoenen en sokken inmiddels ook waren bezet door een aardig mierenleger. Binnen hebben we een half uur lang al tapdansend in ons ondergoed mieren gedood. Oh ja, bij het licht van een zaklamp, want we hadden net die dag een probleempje met de binnenverlichting die het niet deed en het gas van de gaslamp was op ….  In Aberdare hebben we ook de koudste nacht tot nu toe gehad, namelijk 10 graden in de auto en 5 er buiten. We zaten dan ook op 3000 meter hoogte.

In het park zijn ook verschillende watervallen. Vooral de Karuru waterval was erg mooi om te zien. Deze waterval overbrugt in drie stappen een hoogte van circa 250 meter. De weg er naar toe zou niet misstaan in Furstenau, met aan het einde een keienpad/rivierbedding van 19% naar beneden. Een van de parkrangers had ons de weg afgeraden omdat we anders ‘serious problems ’zouden krijgen. Maar omdat we toen bij een graspad stonden, dachten we dat ie dat bedoelde. We hebben geen ‘serious problems’ gehad, maar het was wel eerste keer sinds we in Afrika zijn dat we de lage gearing hebben gebruikt.

Vanuit Aberdare NP zijn we naar het zuiden van Lake Naivasha gereden met het idee om hier een aantal dagen te verblijven en weer eens de was te kunnen doen en nog wat andere praktische dingen. Eigenlijk is dat niet zo interessant om te vertellen: thuis moet je ook je huishouden doen. En er is daar in de omgeving ook het een en ander te doen. Wat we precies hebben gedaan kunnen jullie lezen in het volgende verslag.


 




Ja, ook wij zitten aan de cookies. Ze helpen ons ergens mee ... Hier klikken, dan ben je van de melding af.