Botswana

- Wie zijn wij - - Reisverslagen - - Onze auto's - - 'This is Africa' - - Album - - Contact / Links - - Gastenboek - - Voor overlanders/reizigers -

Botswana III (1-8 t/m 9 -8)

In Maun hebben we onze inkopen gedaan voor ons bezoek aan het volgende nationale park: het Central Kalahari Game Reserve, officieel afgekort tot CKGR en door ons als Kale Harry. Het Maunse drinkwater vertrouwden we niet, maar er zit een drinkwaterzuiverbedrijf, waar je je eigen jerrycans kan laten vullen. Na iets teveel bruin water met grondsmaak de afgelopen weken, wilden we weer eens gewoon doorzichtig water zonder smaak. Dat water is dan ineens lekker, maar waar smaakt het eigenlijk naar? Geen idee. Toen we met de chloorpillen konden stoppen die we van Eelke’s neef Mark meekregen, hadden we hetzelfde gevoel. Die pillen hebben we in het noordelijke stuk van onze reis veel gebruikt bij onbetrouwbaar drinkwater. De dosering was volgens Mark (hij werkt in het leger) simpel: “wij doen altijd vijftien pillen in 1,5 m3”. Ja, en daar sta je dan met je 20 liter jerrycans, ook van Mark trouwens.

Maar goed, we waren op weg naar de Kalahari. In de Kalahari heb je de keuze uit campsites in beheer van de overheid en van commerciële partijen. De eerste kosten circa € 2,50 pp pn en de tweede US$ 35,-. Voorzieningen en water zijn er bij geen van beide, maar de overheid heeft wel de moeite genomen bushdouches en longdroptoiletten aan te leggen, bij de andere is er helemaal niets of dezelfde basis. Eén keer raden waar we gestaan hebben. Voordat we er waren moesten we eerst weer door een ‘veterinarian fence’: een van de hekken die dwars door Botswana neergezet zijn en de verspreiding van mond- en klauwzeer tegen moeten gaan. Het betekent voor ons dat we geen vers vlees en verse groente mee mogen nemen. Een enkele keer controleert iemand de koelkast, dus we hebben vooraf wel eens een en ander in de auto verstopt. Nu hadden we geen vers eten bij ons en voldoende blikken uit Maun meegenomen. Deze hekken staan kaarsrecht door het land en de weg naar de Kalahari loopt er tachtig kilometer parallel aan: niet echt een afwisselend stukje om te rijden dus.     

De Kalahari is een woestijn, maar totaal onvergelijkbaar met stereotiepe zandwoestijnen als de Sahara. Het is een glooiend landschap, met verdroogd goudkleurig gras in de valleien en droge bosjes op de heuvels er tussenin. In dit terrein waren dat voornamelijk acacia’s en helaas voor ons stonden die weer eens te dicht op het pad: onze auto heeft er weer een verzameling krassen bij. We hebben het gedeelte bezocht dat Deception Valley heet. Dit ligt in het noordoosten van CKGR. De totale oppervlakte van het reservaat is groter dan Nederland. Dus met maar twee nachten slapen in het park is het gedeelte wat we kunnen bekijken beperkt. We compenseren dit een beetje door niet dezelfde weg terug te nemen, maar dwars door het park naar Ghanzi te rijden.

Wat uitgestrektheid, begroeiing en hoeveelheid bezoekers deed het park erg denken aan Kidepo in Oeganda en daarmee is het ook een van de mooiste parken die we hebben bezocht. Na ons in onze ogen wat tegenvallende bezoek aan Chobe en Moremi, verwachtten we van de Kalahari eigenlijk niet zo veel meer. Wat betreft dieren dan, want de natuur moet er erg mooi zijn. De reisgidsen en iedereen die er is geweest, zegt dat je maar weinig levende wezens (zowel dieren als mensen) ziet, dus elke springbok zouden we al leuk vinden. Weinig mensen vinden we niet erg, zo met z’n tweeën is wel prima. Binnen een half uur nadat we binnen waren, ontdekte Maaike al een luipaard in het gras. Uiteraard had Eelke de camera weer eens niet op tijd klaar liggen en hebben we alleen een paar plaatjes van z’n rug, maar een mooie eerste ontmoeting was het wel. Twee Zuid-Afrikaanse huurauto’s-met-daktent reden ons voorbij en we kregen gelijk een idee waarom niemand hier iets ziet. Je moet wel kijken natuurlijk! Dit luipaard heeft de leeuwen vs luipaardenstand trouwens wel op 9-8 voor de luipaarden gezet. In aantal keren gezien uiteraard en niet in aantallen dieren, leeuwen leven immers in groepen. We hebben ook weer een nieuwe soort aan ons lijstje toe mogen voegen: grootoorvossen. Het zijn kleine vossen met dikke bontjassen, die in groepjes de velden afstruinen op zoek naar voedsel. Grappige dieren om rond te zien scharrelen.

Het aantal dieren dat we verder in het park zagen, heeft Chobe en Moremi ruim overtroffen. Niet in verschillende soorten, maar wel in aantallen. Het is dat we soorten die we alleen horen niet tellen, anders hadden we er nog een extra kunnen tellen op de tweede avond. Onze campingplek was een open ronde plek in de redelijk dichte begroeiing, van een meter of dertig in doorsnede. Het was net donker en we waren net begonnen met eten koken, toen uit de struiken drie keer een kort, maar hard en diep gegrom kwam. We keken elkaar aan en sprongen de auto in, om vervolgens te bedenken wat het geweest kon zijn. Eigenlijk kan alleen een kat zo grommen en een luipaard hadden we twee dagen daarvoor gezien. Gezien het volume van het gegrom, leek een luipaard echter te klein en een leeuw leek een betere optie. Koken met leeuwen (ze zijn zelden alleen) op een meter of twintig afstand in de struiken, is geen heel fijn idee. We weten wel dat mensen geen standaard leeuwendieet zijn en dat ze kunnen grommen als er een bedreiging te dicht bij komt. Maar voor oude leeuwen die slecht kunnen jagen, zijn mensen een makkelijke prooi. Maar als ie op jacht was geweest, had ie zijn aanwezigheid toch niet zo kenbaar gemaakt aan ons? We hebben het er op gehouden dat het een ‘let op hier loop ik en als jullie daar blijven komt het goed’-grom is geweest en hebben ons eten wat sneller opgegeten dan normaal. Toen we die nacht en de volgende ochtend leeuwen in de buurt hoorden brullen, wisten we zeker dat ze die avond vlakbij waren geweest.

Die ochtend hadden we gepland om naar Ghanzi te rijden, een klein stadje op zo’n 300 kilometer afstand. Maar ja, we hadden al een tijdje geen leeuwen gezien, dus zouden we die dan niet nu moeten gaan spotten? Ze waren immers vlakbij. In dat geval zouden we een andere poort het park uit nemen en in twee dagen naar Ghanzi rijden. Onderdeel van die route was een kaarsrecht stuk van 150 kilometer (!) zandpad langs een dierenhek. In ons eerste plan was dat 70 kilometer en dat vonden we eigenlijk al teveel. Na even voors en tegens afwegen hebben we geconstateerd dat we al verwend zijn met onze dieren en dat deze extra leeuwen niet opwegen tegen 150 kilometer rechtdoor rijden. We hebben ons aan ons eerste plan gehouden en zijn dwars door het park naar de westelijke poort gereden.

In dit stuk zijn we helemaal geen bezoekers tegengekomen, alleen een oude Nederlandse 4-tonner die er al een tijdje met pech stond. Twee dagen eerder hadden we bij de mannen nog een fles water achter gelaten, maar nu waren ze er zelf ook niet meer. Om een uur of twee waren we bij de poort en na ‘sorry’ gezegd te hebben omdat we eigenlijk om elf uur het park uit hadden moeten zijn, konden we verder met ons rechte stuk zandweg. Na 10,5 uur rijden en 190 kilometer later, kwamen we op de asfaltweg Maun-Ghanzi en weer 1,5 uur en 110 kilometer verder zat onze langste rijdag sinds we in Afrika zijn er op. Ghanzi was goed voor de was, boodschappen, internet-in-een-keet-met-tralies en wat authentieke bushmensouvenirs. Nu nog een paar honderd kilometer asfalt en dan zijn we weer in Namibië. Alwaar we eerst maar weer eens naar de Ivecogarage rijden, want tijdens onze rit naar en door de Kalahari heeft de uitlaatpijp definitief besloten gescheiden te willen zijn van de demper. Daar hebben we een tijdelijke oplossing voor gemaakt, maar dat is ook echt niet meer dan tijdelijk. Gelukkig zit de breuk wel na de demper: dat scheelt herrie.


Botswana II (20-7 t/m 1-8) 

Na ons korte uitstapje naar de ‘Vic Falls, zes weken later’ zijn we naar Kasane gereden om voorraden in te slaan voor de komende week in Chobe en Moremi NP. Boodschappen doen was geen probleem in de grote Spar, ze hadden alles wat we wilden hebben. Of we hebben onze wensen inmiddels zo aangepast dat een klein supermarktassortiment voldoende is … Bier mogen ze van de overheid niet verkopen in de supermarkt, dus daar zijn speciale ‘bottlestores’ voor. De Spar heeft zijn eigen bottlestore, maar die zat dicht. Volgens het bordje met openingstijden zou de winkel gewoon open moeten zijn en navraag bij de Spar leverde het antwoord op: de bottlestore is alleen op woensdag open. En laat het vandaag nou maandag zijn: helaas geen bier voor de komende week. Maar dat gaat zo maar niet en na even zoeken en rondvragen, bleek er toch nog eentje te zijn in Kasane. Uiteindelijk konden we met bier op stap. Nog even tanken en met 180 liter diesel in de tanks waren we er helemaal klaar voor.

De eerste nacht in Chobe NP slapen we in Linyanti, dat is vanaf Kasane ongeveer 180 kilometer  rijden. De 1e 90 kunnen we kiezen tussen asfalt of onverhard door het park en de volgende 90 zijn zeker weten onverhard met dik zand. Aangezien we nog niet eerder grote stukken door zand hebben gereden, hebben we gekozen voor 90 km asfalt en 90 km onverhard. Met het idee dat we op het asfalt goed door konden rijden, want daar zijn toch geen dieren te zien. Doorrijden lukte wel, maar geen dieren was niet waar. We waren op tijd vertrokken, om 7 uur, en na een paar kilometer zagen we al een hyena de weg oversteken. Nog wat verder stond er nog eentje in de berm en een stuk later waren er twee op hun gemak gras aan het eten langs de kant van de weg (vegetariërs?). Ondertussen waren we al twee kuddes olifanten gepasseerd en hebben we moeten stoppen voor een derde kudde overstekende olifanten. Verder hebben we nog zebra’s, kudu’s, impala’s, buffels, kleine bokjes en een sabelantilope gezien. En last but not least, vlak voordat we de verharde weg afgingen, zagen we nog twee wilde honden. In het voorbij rijden dachten we eerst aan hyena’s, maar deze hadden vlekken en grote flaporen: stoppen, draaien en terug! Wilde honden hadden we namelijk nog niet eerder gezien. Afgezien van de opvang in Hwange dan, maar dat telt niet. Onze dag was bij deze al goed.

De stukken zand gingen ook goed. Op het eerste stuk hebben we gelijk de bandenspanning van 3,6 naar net boven de 2 bar laten zakken en het merendeel hebben we 4x4 in hoge gearing gereden .’s Middags is het zand wat muller, doordat de lucht tussen de zandkorrels uitzet. Daar kwam bij dat we net niet in het brede spoor pasten, maar weer net te breed waren voor het smalle spoor. Met als gevolg dat één kant van de auto door de zandrug tussen deze sporen aan het ploegen was. Daarvoor hadden we dan toch de lage gearing nodig. Maar zonder vast te komen zitten zijn we aangekomen in Linyanti. Daar hadden we een mooie campsite langs het water. We hebben geen gamedrive meer gedaan, omdat we al wel lang genoeg in de auto hadden gezeten en al dieren genoeg hadden gezien. Daarom hebben we maar op onze stoeltjes naar de rivier zitten kijken. Aan het einde van de middag kwamen de nijlpaarden tussen het riet en de papyrusplanten vandaan om in de rivier rond te dobberen. Rond schemering landen er rondom ons tientallen patrijzen in de bomen, op zoek naar hun slaapplek voor de nacht. Nadat we hadden gegeten en eigenlijk aan de afwas wilden beginnen kwamen er een paar nijlpaarden aan land. Aangezien die rondhobbelden tussen onze auto en het sanitairgebouw (circa 100 meter verderop) hebben we maar besloten om de afwas te laten staan tot de volgende ochtend. Vroeg naar bed werd het dus. Na een heerlijk donkere en stille nacht slapen zagen we de volgende ochtend de sporen van de nijlpaarden rond onze auto samen met kattenpoten. Waarschijnlijk is er nog een luipaard langsgelopen, maar ja aangezien wij sliepen hebben we daar niks van gemerkt.

Deze dag gaan we van Linyanti naar Savuti, ongeveer veertig kilometer verderop. Volgens diverse mensen die we op de camping spraken zouden er nog een paar listige stukken dik zand van een paar kilometer in de route zitten, maar de man van de receptie had ons verteld dat als we zonder vastzitten tot zijn gate waren gekomen, we het hele park aankonden. Het duurde even voordat we deze stukken tegenkwamen, maar ze waren er inderdaad. Of het kwam dat het nog niet zo laat was of dat dit zand echt iets minder dik was dan waar we gisteren doorheen gereden zijn, geen idee, maar we hebben alles in de hoge gearing kunnen rijden en hobbelden overal zo doorheen. Omdat er nogal wat hobbels in zaten, was vaart maken niet echt een optie, want dan zouden alle spullen door de auto heen vliegen. Maar met 15 km/h kom je er ook. Die lage snelheid was maar goed ook, want toen konden we nog uitwijken voor een pofadder. Die vertrouwt inderdaad op z’n camouflage en gaat pas op het allerlaatst aan de kant.

We waren al vroeg op onze campsite en deze bleek dan ook nog bezet te zijn door andere Nederlanders. Zij hadden niet gereserveerd en wachtten nog op iemand van de receptie die hun zou komen vertellen waar ze de volgende nacht zouden slapen. Uiteindelijk bleek dat een aantal plaatsen verderop te zijn. Eerst hebben we maar met zijn vieren koffie gedronken en wat wetenswaardigheden, (on)zin en GPS-coördinaten uitgewisseld en daarna zijn ze verhuisd. Zij hadden een keer vastgezeten en twijfelden of de vierwielaandrijving het wel deed. Toen ze van de campsite weg wilden rijden, bleek die het inderdaad niet te doen, ondanks dat ie is ingeschakeld. Balen voor hun dus, maar ondanks dat zijn ze toch ver gekomen met maar één keertje vastzitten.

Deze middag hebben we wel nog een gamedrive gedaan. We hebben met name olifanten en grote kuddes giraffen gezien. Het is een van de droogste gebieden waar we tot nu toe zijn geweest. Aan de struiken zitten bijna geen blaadjes of alleen nog vergeelde blaadjes. Gras groeit er niet, alles is zand. Alleen in de buurt van de waterbronnen zie je meer groene begroeiing en daar zijn dan ook gelijk de meeste dieren te vinden.

De volgende dag hebben we diverse rondjes gereden vanaf Savuti. De score qua dieren was niet heel erg hoog. Misschien zijn we ook wel verwend na zoveel wildparken te hebben gezien. ’s Middags bezorgde een grote mannetjes olifant ons nog een paar benauwde momenten toen we bij een waterhole stonden te kijken. De olifanten in deze regio zijn al groter dan elders en dit gold ook voor het nogal grote exemplaar dat langzaam steeds dichter bij onze auto kwam. Wegrijden heeft dan geen zin meer, want daar schrikken ze juist van en als zij naar je toe komen is het ook eigenlijk nooit erg. Maar dat is de ratio en als er zo eentje, hoger dan je auto, bij je naar binnen kijkt, gaat je hartslag toch wel iets omhoog. Uiteindelijk passeerde hij op een meter of vijf, keek even naar binnen, wapperde met z’n oren en liep weer langzaam door. Dat zijn vrienden een paar dagen later onze nachtrust zouden verstoren, wisten we toen nog niet.

Zoals gezegd is het landschap wel fascinerend en de moeite waard, alleen het gehobbel van de weg word je op den duur wel zat. Zeker met hobbels om en om in rijsporen: met de lage bandenspanning blijft de auto schommelen. Dan is het wel fijn als je op je stilstaande campingstoel kan zitten.

De volgende tussenstop is de camping bij North Gate (Moremi NP), na een tocht van ongeveer 120 kilometer. Eerst hebben we nog een paar kleine rondjes in de buurt van Savuti gereden en dat leverde onze 300ste vogelsoort op: Pel’s Fishing Owl oftewel de visuil. De naam van deze uil komen we al maanden tegen wanneer we de beschrijving van een park en de lijst mogelijke dieren lezen die we zouden kunnen zien. Ook deze uil is een nachtdier dus dat we ‘m na zonsopkomst zagen verbaasde ons, maar de vreugde was er niet minder om. De rest van de dag hebben weer hobbelend in de auto doorgebracht en rond een uur of vier kwamen we op de camping aan.

Wat betreft dieren kan er over de camping bij North Gate van alles lopen. Eerst hebben we maar een nieuwe bundel brandhout gekocht om een vuurtje te maken, dan lopen de hyena’s, luipaarden, leeuwen en olifanten tenminste om je campingplek in plaats van er dwars overheen. Was het advies van de man die de kruiwagen hout kwam brengen. Het eten koken hebben we met onderbrekingen gedaan: eerst hoorden we veel ‘groot’ geritsel: dat moest van een olifant zijn. In dit geval drie olifanten die dicht achter de auto langskwamen op weg naar de rivier. Iets later was er ‘klein’ geritsel en dat bleek afkomstig te zijn van een hyena. Ze dook van achter de auto op en passeerde op ongeveer twee meter van onze tafel met net gekookt eten. De zaklamp doet wonderen en het vrouwtje liep snel door. Vlak daarna volgden d’r broertjes op iets grotere afstand. Normaal gesproken is op dit soort plekken onze wc bij het linker achterwiel. Tegen de tijd dat we tanden gingen poetsen had een volgende olifant bedacht dat de bosjes een meter of vijf achter de auto de lekkerste waren en daarom hebben we er maar voor gekozen om ter hoogte van het rechter achterwiel onze wc te maken: hadden we iets meer rugdekking. In principe heb je als volwassen mens niet zo veel van hyena’s en olifanten te vrezen en zijn zij gewend aan mensen. Maar wij niet aan hun …

We hebben nog drie nachten te gaan in Moremi NP, die we doorbrengen op Xakanaxa. De manier waarop wij Nederlanders (en de meeste andere toeristen) het uitspreken wordt meestal met een glimlach aangehoord door de lokale mensen. Het is namelijk een woord dat door de bosjesmannen gebruikt wordt en zij kunnen tijdens het praten klak-geluiden maken met hun tong; dan klinkt een x ineens heel anders.

De omgeving rond Xakanaxa is heel anders dan die rond Savuti. Je zit hier aan de rand van de Okavangodelta en van watergebrek is dan ook geen sprake. Je moet hier voor je gaat rijden navragen welke wegen goed zijn of alleen ondiepe doorwadingen hebben. Op weg hier naar toe kwamen we nog voor een doorwading te staan en na even zoeken vonden we een plek met verse bandensporen. Het water bleek hier zo’n zestig centimeter diep te zijn. Stoere 4x4-rijders met wilde verhalen kom je in (dit deel van) Afrika niet tegen: iedereen is serieus en wil z’n spullen heel houden. De borrelpraat blijft toch voorbehouden aan Europeanen die af en toe een weekendje gaan spelen.

Er is groen gras op sommige stukken en er staan meer grotere bomen en struiken met nog groene blaadjes eraan. In aantallen hebben we ook wel meer dieren gezien dan in de buurt van Savuti, vooral de impala’s waren erg ruim vertegenwoordigd. Aan het lijstje soorten hebben we Tsessebe’s en Rode Lechwe’s toegevoegd. De nijlpaarden zijn ook hier weer in grote getale aanwezig. We hoorden van de buurman op de camping waar hij een luipaard had gezien, maar het is ons niet meer gelukt dat de spotten. De Zuid-Afrikaanse buurman kende Nederland ook: “… with your little dunefield, … euh … the Veluwe”. Inderdaad, eigenlijk is het niet meer dan een stadspark. Leeuwen en wilde honden hebben we in Chobe en Moremi ook niet meer gezien. Wat dat betreft was zeven dagen in deze twee veel belovende parken wat teleurstellend. Misschien waren onze verwachtingen na alle verhalen die we hadden gehoord ook wel te hoog, want je vergelijkt het met je eigen referentiekader. Dat van ons is de laatste maanden wat veranderd … Maar goed, katten of niet, het blijven twee mooie parken die wat ons betreft zeker nog een bezoek waard zijn. 

De nachten zullen we overigens niet snel vergeten. De eerste was rustig, maar de tweede niet meer. Vlak voordat Eelke die nacht ging slapen, moest ie nog even plassen en bij gebrek aan maanlicht keek hij even rond met de zaklamp. De struiken op een meter of vijftien achter de auto reageerden gelijk met het inmiddels bekende ‘groot’ geritsel. Het geritsel bleef in de struiken, dus dat was geen probleem voor de nacht. Dachten we. Om een uur of twaalf werden we namelijk wakker van een scheten latende olifant, die bij nadere bestudering vruchten onder de Jackelberrieboom naast onze auto aan het opeten was. De boom stond een meter of acht van de auto en de olifant er dus tussenin. Hij kwam naar de boom toe en heeft de auto al lang gezien, dus is het geen probleem …. Tja daar is de ratio weer, maar helemaal lekker lig je dan toch niet in je bed. We vielen in slaap voor een uur of twee, toen een olifant op ongeveer dezelfde afstand de vruchten van de Jackelberrieboom aan de andere kant van de auto aan het zoeken was. Daarom moet je je auto dus nooit onder zo’n boom parkeren. Ook niet onder een Marulaboom trouwens, wat onze buurman kon bevestigen: een paar maanden daarvoor had een olifant op die plek zijn auto opgetild met z’n slagtanden om er de vruchten van die boom onder vandaan te halen. Na deze tweede olifant, wekte een derde ons om een uur of vier door flink te trompetteren. Waarom? Tja, geen idee, er zal wel een mier over z’n tenen gelopen hebben. Maar we waren weer even wakker. ’s Ochtends zagen we de sporen van het nachtelijk bezoek: drie hopen verse drollen en veel pootafdrukken. Er was er een op nog geen meter achter de auto langs gelopen. De derde nacht bleef het gelukkig beperkt tot twee olifanten en nu we wisten wat ze wilden, sliepen we dan ook weer redelijk snel.  

Na deze parken zijn we naar Maun gereden en hebben daar ons bezoek nog eens luchtjes overgedaan: met een kleine Cessna, Maaike vond het een speelgoedvliegtuigje zo klein,  hebben we een rondvlucht boven de Okavango Delta en Moremi NP gemaakt. Dan zie je pas goed hoe uitgestrekt het gebied is. Uit de lucht zie je ook grotere kuddes olifanten, die net als de meeste dieren, met name in het water staan. Vanuit de auto hebben we dat niet gezien. Je vliegt op een hoogte van ongeveer 150 meter, waardoor ook de kuddes zebra’s, buffels, impala’s en lechwes goed te zien waren. Die hoogte van 150 meter is blijkbaar ook een vogelvlieghoogte, want we hebben een keertje moeten uitwijken voor een zwerm vogels. We hebben al eens een vogel in de motor gehad en dat is niet voor herhaling vatbaar. Zeker niet met zo’n klein propellervliegtuigje. Het was in ieder geval een mooie afsluiting van deze parken.  Van hieruit rijden we namelijk naar het Central Kalahari Game Reserve. Met 52.000 km2 is dat ietsje groter dan Nederland ... Tja, dan hebben wij inderdaad maar een ‘little dunefield’.  


Botswana I (24-6 t/m 29-6)

Botswana in bij Francistown was niet zo’n probleem. De dames van immigration moesten zich er even toe zetten iets te gaan doen en hun ogen van het televisiescherm met een of andere soap af halen, wat zuchtend en mopperend ook lukte, maar de heren van customs en de roadtax waren alleraardigst. Na wat over de voetbal te hebben gekletst en tegen een woekerkoers net voldoende Pula te hebben gewisseld voor de roadtax, mochten we het land in. We wilden niet verder dan Francistown omdat we nog boodschappen wilden doen. We dachten in Zimbabwe dat we donker Afrika uit waren, maar nu wisten we het zeker: de straten waren vol met nieuwe auto’s, de winkelcentra hadden grote gevulde parkeerplaatsen en glimmende voetpaden, bij het tankstation kreeg je ongevraagd een bonnetje en moest de tankhulp naar een loket voor wisselgeld in plaats van dat ie zelf een groot pakket bankbiljetten in z’n hand had. Welkom terug in de beschaving! Van een aantal medereizigers hadden we al begrepen dat de overgang van het noorden naar Zuidelijk-Afrika een aardige schok kon zijn, maar we dachten dat dat wel mee zou vallen. Niet dus. Met een weemoedig gevoel liepen we door Francistown: blij omdat alles te koop was, maar tevens wat somber omdat vrijwel alle charme van de voorgaande landen nu weg was. Het was gewoon weer Europa met een Afrikaans sausje.

Ons plan voor Botswana was er doorheen te rijden op weg naar Windhoek en even in Maun te stoppen om overnachtingen in Moremi en Chobe te boeken. Dat schijnt een jaar van tevoren te moeten en dat vonden wij natuurlijk niet nodig. We hadden een paar scenarios/routes bedacht, die we afhankelijk van de beschikbaarheid van de campsites konden gebruiken. Onze eerste voorkeur bleek mogelijk, alleen een paar dagen later. Die tijd hebben we en die paar dagen vullen zich vast wel weer. Dat die dagen ons heel goed uitkwamen in verband met een erfenisje uit Zimbabwe, ontdekten we pas in Windhoek.

Na Maun zijn we in twee dagen naar Windhoek gereden. Eelke voelde zich in Maun niet zo lekker en bleek opgezwollen lympheklieren te hebben, het ging niet over en dus hebben we de rit een dag ingekort. Voor Botswana hebben we straks nog tijd genoeg, de mensen hier vinden we nou niet bijster aardig en het gebeurt niet vaak, maar Eelke was nodig toe aan een dokter.

Botswana uit was geen probleem: stempeltje in je paspoort en rijden maar. Botswana, Namibië en Zuid-Afrika vormen een douane-unie en daar hoef je het carnet niet meer te laten stempelen. Namibië in kostte iets meer tijd, omdat de dames uitgebreid de tijd namen ‘iets’ in de computer in te vullen. En omdat de scholen in Zuid-Afrika net vakantie hadden gekregen, stonden er nog al wat gezinnen om ons heen. Inderdaad, per persoon moest het ‘iets’ worden ingevuld. Ach ja, een uurtje later stonden we weer buiten en in de loop van de middag waren we in Windhoek.     




Ja, ook wij zitten aan de cookies. Ze helpen ons ergens mee ... Hier klikken, dan ben je van de melding af.